Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













Zinkmijnen in het Belgische Geuldal.

Plombières.

De zinkmijnen in Plombières gaan terug tot de 14e eeuw, maar kenden in de 19e eeuw hun grootste bloei. Wateroverlast bleef echter lange tijd een groot probleem in dit gebied. In 1922 sloten de fabrieken.

Schmalgraf.

Ertsmijn in het dal van de Hohn, een zijbeek van de Geul, nabij La Calamine.

Saint-Paul.

Deze mijn was in bedrijf tussen 1848 en 1883. De grootste diepte bedroeg 106 meter. In 1884 werd de groeve ontmanteld, nadat ze helemaal uitgeput was. Tussen 1862 en 1868 werd de mijn Saint-Paul op een diepte van 63 meter met de mijn La Bruyère op een diepte van 59 meter verbonden.

Heggelsbrück.

Deze mijn werd sinds 1864 door de Vieille Montagne geëxploiteerd. Omdat er teveel water in de mijn liep, bleef ze nog een tijdlang gesloten. De echte winning vond plaats tussen 1882 en 1885. De groeve bleef niet lang open, door de hoge kosten die men moest maken door de problemen met het grondwater en de instabiele bodem.

Fossey.

De naam van de mijn Fossey stamt van een oude galmeimijn die niet geëxploiteerd mocht worden. Tussen 1878 en 1900 werd in deze mijn erts gedolven. Tussen 1889 en 1884 groef men een ontwateringsgang naar de Geul. Tussen 1900 en 1906 werd gegraven op de ertsader van Prester, welke tot een diepte van 103 meter reikte. Tot 1918 groef men op de ertsader van Lindengrave, tot een diepte van 146 meter.
De mijn werd gesloten door een gebrek aan steenkool. De onderste verbindingsgangen stonden onder water en de kosten om de mijn weer open te maken bleken te hoog.

Dickenbusch.

De concessie voor de winning van Galmei in deze mijn kwam in 1863 in handen van de Vieille Montagne. In datzelfde jaar vraagt Baron de la Rousselière een concessie voor lood aan. De groeve wordt daarop door de eigenaar in tweeën gesplitst. De groeve werd geëxploiteerd vanaf het jaar 1867. Vanaf 1870 mag de Vieille Montagne ook het deel dat van de Baron was ontginnen, omdat deze stopt met het winnen van lood. In 1878 werd een diepte van 83 meter bereikt. In 1880 sluit de mijn haar poorten.

Pandour.

De mijn Pandour werd geëxploiteerd tussen 1887 en 1902. De maximale diepte van de groeve was 53 meter. In deze mijn waren er geen problemen met het grondwater. Bij de sluiting van de mijn werd het ertslichaam als uitgeput beschouwd.

Lontzen.

In 1850 doet de Vieille Montagne proefboringen op een 400 meter lang gebied bij het ertslichaam in Lontzen. Het hier aangetroffen ertslichaam blijkt echter te weinig hoogwaardig erts te bevatten. Tussen 1854 en 1858 won de "Preußische Gesellschaft der Concordia Hochöfen" hier ijzererts. De Vieille Montagne en de Concordia sluiten een akkoord dat de VM geen ijzererts wint en de Concordia geen andere ertsen. Bij een volgende proefboring in 1891 wordt echter een ertslichaam gevonden dat rijk is aan hoogwaardig lood en Zink. Tussen 1900 en 1935 wordt in Lontzen erts gewonnen. De mijn in Lontzen was de modernste mijn in de omgeving. Ze bereikte een diepte van 118 meter. Het was de loodgroeve van de VM, waar reeds op een diepte van 3 meter puur lood werd gevonden. Het zou zo rein zijn geweest dat het ter plekke in zakken werd geladen en ongewassen naar Angleur werd gebracht , waar het gesmolten zou worden. In de mijn werkten ongeveer 60 mijnwerkers. In 1908 werd een kabelbaan van 3015 meter gebouwd die de ertsen over de weilanden en bossen en langs de Eyneburg naar de ertswasserij in Preußisch Moresnet bracht.

La Bruyère.

De mijn La Bruyère was al in de 14e eeuw in gebruik. Tussen 1765 en 1772 verzamelde men hier ertsen op de oude stortbergen. In 1862, nog voordat het ertslichaam bij La Bruyère onderzocht was, groef de Vieille Montagne de Saint-Paul mijn met een diepte van 63 meter met de mijn La Bruyère met een diepte van 59 meter. De aanleg duurde 15 jaar door problemen met het grondwater en door instortingen. De mijngang voerde onder Nordlager door, zonder dat men dit ontdekte. De mijn La Bruyère werd geëxploiteerd tussen 1878 en 1883. Men groef tot een diepte van 59 meter. De ertsen die hier gewonnen werden, werden gemengd met de ertsen van de Saint-Paul mijn.

Poppelsberg.

De mijn Poppelsberg werd al eens geëxploiteerd in de 15e eeuw en in 1848 herontdekt. De hoofdschacht bereikte door grotere invloed van het grondwater de geringe diepte van 42 meter. In 1867 werd de mijn gesloten.

Eschbroich.

De mijn Eschbroich was in gebruik tussen 1882 en 1931. De mijn werd tot een diepte van 182 meter ontgonnen. Tussen 1903 en 1905 werd op een diepte van 500 meter een mijngang gegraven tot aan de mijn Schmalgraf. Hierdoor kon men de ertsen in deze mijn ook via de Oskarstollen afvoeren. De Eschbroichmijn is de kleinste en primitiefste mijn van de Vieille Montagne mijnen. De mijn was vanaf veraf niet herkenbaar, noch door gebouwen, noch door schoorstenen. In tegenstelling tot andere mijnen beschikten de mijngangen niet over elektrische stroom of betonnen vloeren. Er werkten slechts 40 mijnwerkers in de mijn.

Mützhagen.

De mijn Mützhagen werd in het Pruisische deel tussen 1898 tot 1910 bedreven. In het Belgische deel tussen 1908 en 1923 en in 1926-1927. De mijn bereikte een diepte van 69 meter. In de Eerste Wereldoorlog was het voor de mijnwerkers niet altijd mogelijk om bij de mijn te komen, zodat de exploitatie slechts langzaam opschoot. In de groeve werkten maximaal 30 personen, waarvan 5 bovengronds. Bij de sluiting van de mijn werkten er nog slecht 18 mijnwerkers. In 1902 begon men met het bouwen van een smalspoor langs de weg tussen het Weißen Haus tot aan de ertswasserij in Preußisch Moresnet.

Rabotrath.

De eerste activiteiten in deze mijn vonden reeds plaats in de 15e eeuw of zelfs nog eerder. In de 17e eeuw koos men voor het verzamelen van gesteente aan het oppervlak in plaats van ernaar te delven. Vanaf 1739 begon men met de selectieve delving van ertsen. Tussen 1739 en 1770 werd de winning versneld. Tussen 1847 en 1852 werd er door de Vieille Montagne naar erts gegraven. In 1979 doet een mijnbouwfirma uit Moresnet opnieuw proefboringen in dit gebied, die echter in de storing tussen Poppelsberg en Rabotrath geen ertsen opleveren.