Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













De zinkmijnen van Plombières.

De eerste mijn in Plombières, de mijn Braesberg wordt in 1365 genoemd in een akte van de heer van Dalhem. Hij betaalde huur voor de mijn aan het convent in Maastricht. In 1370 wordt in een akte de mijn Bleyberg genoemd, de huur werd toen aan de heer van Einrade betaald. De mijnbouw vond in die tijd boven de grondwaterspiegel plaats. De Braesberg had 4 schachten die 30- 35 meter diep waren. Ze kwamen uit op een 800 meter lange gang die uitkwam op de Geul nabij Boverath. In Bleiberg werden alleen sulfidische zink- en loodertsen gedolven. De ertsen in Bleiberg werden gedolven in Onder- Carbonische kalksteen, op een diepte tussen 20- 170 meter diepte, en werden in dagbouw, door middel van open groeven aan de oppervlakte, of in schachtbouw, door middel van mijnschachten, gewonnen. De kalksteen was sterk geplooid en doorsneden met breuken en liet veel water door, waardoor bij langdurige neerslag of in perioden van smelten van de sneeuw het water snel in de ondergrondse gangen kon doordringen. Ook trad de Geul dan geregeld buiten haar oevers en stroomde de mijngangen binnen. Het is meermalen voorgekomen dat de ondergrondse delen van de mijnen geheel onder water stonden. Wanneer de ondernemers genoeg kapitaal bezaten om de gangen droog te maken werd de exploitatie voortgezet, was dit niet zo, dan werd de mijn voor onbepaalde tijd gesloten. Toen de mijn groeide, stegen de problemen met de wateroverlast. De dieper gaande winning veroorzaakte steeds meer en steeds grotere scheuren in het gesteente, waardoor er steeds meer en steeds sneller water in de mijnen stroomde. In 1855 verdronken zeven mannen toen de Geul buiten haar oevers trad in een hevig onweer.

Vanwege de wateroverlast werd toestemming gevraagd om de loop van de Geul te mogen verleggen. De Geul wordt in de buurt van Plombières namelijk ingesloten door drie heuvelruggen. In het oostelijke deel van het voormalige concessiegebied heeft de Geul enige ruimte tussen het plateau van Vosheydt in het zuiden en het plateau van Völkerich in het noorden. Hier kan ze zelfs meanderen. In het westelijke deel vormt het plateau van Bamisch echter een belemmering. De Geul heeft zich daarom een weg in noordelijke richting gebaand. Zo ontstond een zeer nauw dal met een abrupte koerswijziging van west- noordwest naar noord- noordoost, waardoor bij grote afvoer stuwing van het water optrad dat de boven- en ondergrondse mijnactiviteiten bedreigde. De eigenaar van de berg op de noordelijke oever liet een tunnel graven om daar een gegraven loop van de Geul doorheen te leiden. Zodoende kreeg het riviertje over een afstand van 540 meter, waarvan 100 meter ondergronds, een extra bedding. Toch had deze maatregel niet het gewenste effect, omdat men had verzuimd het bochtige verloop van de Geul in het uitgestrekte mijnterrein te corrigeren. Rond 1862 verhielp men ook dit euvel middels een ingrijpende kanalisatie waarbij de kronkelende loop over een afstand van 3 kilometer werd rechtgetrokken. Tevens werd de bedding verbreed, van een vaste bekleding voorzien, de oeverwanden werden verstevigd en een vaste brug over het riviertje en een stuw met sluis om de waterstand te regelen gebouwd t.b.v. diverse bedrijven van de ontginning. Hierdoor bleef de mijn van Bleiberg erna gespaard van overstromingen van de Geul. Door de gestage uitbreiding van de concessie liep men echter tegen dezelfde problemen aan in de loop van haar zijbeken, waaronder de Soue. Daarop werden ook de overlast veroorzakende zijbeken van een waterdichte bekleding voorzien, net als de Geul. Deze maatregelen over een afstand van ruim 12 kilometer brachten zeer hoge kosten mee, maar de problemen waren toen nog niet de wereld uit. Mede als gevolg van een grote overstroming in 1906 en enkele andere factoren werd de mijn in Bleiberg rond 1920 definitief gesloten.

In 1825 vroegen de gebroeders Cockerill aan Willem I een concessie voor de mijn van Bleyberg. Deze kregen ze in 1828, maar John Cockerill deed er toen afstand van ten gunste van zijn broer Charles- James. De in Aken woonachtige Charles-James liet een fabriek bouwen, de schachten controleren en het afwateringskanaal naar de Geul repareren. Het concessie- gebied werd afgezet.

In 1848 nam Bernard Suermondt, zijn schoonzoon, de belangen over. Hij was de zoon van de directeur van de Nederlandse bank en had samen met Koning Willem I grote belangen bij Cockerill. Cockerill was toen heel belangrijk omdat ze schepen maakten pompen over de hele wereld leverden.
Suermondt kwam van Luik naar La Calamine, nadat hij zijn fabriek had omgezet in een Sociéte Anonyme (een naamloze vennootschap). Hij bezat steenkolenmijnen in het Wormdal, zinkmijnen in Rescheid en steenkolenmijnen in het Ruhrgebied waar hij ook de Neiderische Stahlwerke stichtte. Uit zijn enorme kunstverzameling in Aken kwam het Suermondt- Ludwig- museum voort. In 1829, een jaar nadat de concessie in Bleyberg werd verleend, gingen de zinkmijnen in La Calamine failliet. Toen Koning Willem I deze wilde opkopen, brak de Belgische opstand uit en Suermondt kwam naar Plombières.
Het breken en fijnmalen van de ertsen gebeurde in de nog bestaande witte gebouwen. Het witte gebouw met 2 ramen en een deur is nu het kantoor van de draadfabriek. Binnenin staan turbines voor de electriciteitsopwekking. Vroeger was dit het gebouw van de hoofdschacht.
Het probleem was dat het lood, dat ze zochten, in het zink zat, waardoor een concessie voor zowel lood als zink nodig was. Toen begon de Wallonisering van de mijn. De hoge posten werden bezet door Walen. In 1849 verkocht Suermondt de mijn aan een bank, waarna hij weer werd overgenomen door nieuwe investeerders. Dit betekende het einde van de Duitse invloed. Een jaar later werd ook de winning van zink toegestaan, dit betekende een uitbreiding van 110 ton. Er werd een nieuwe concessie aangevraagd voor een enorme loodertsvoorraad van 300 meter lang, 60 meter breed en 70 meter diep. Vanaf 1855 begonnen de gouden jaren voor Bleyberg. De mijnen bereikten een diepte van 160 meter, hetgeen wel betekende dat er veel water in de mijn kwam. Tijdens een hevig onweer liep de mijn vol water en acht mijnwerkers konden de ladder die hen omhoog zou brengen, niet meer bereiken.
De resten van de zinkinundustrie in Plombières zijn bijna verdwenen. Bovenop de berg bij de kerk lag een lang gebouw dat in 1852 gebouwd was en waarin door de firma 12 werklieden gehuisvest waren. Dit is nu afgebroken. Het gebouw met een afdakje en een Maria- beeld bij het “Schellehüuske” was vroeger een school. Langs de grote weg tegenover het zinkterrein staan enkele oude arbeiderswoningen uit 1875.
Op een litho van Tovy uit 1852 die de ontginning van Bleyberg toont, staat het “Schellehüuske”, dat te zien is tussen de schoorsteen en het gebouw rechts ervan. Ernaast stond een ander gebouw met 2 schachten voor de schoorsteen, dit is nu weg. Bleiberg heet sinds 1919 Plombières.