Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Deelgebieden:
-Eifel
-Limburg

Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw/ oude
industrie.
Paddenstoelen.
Heiligen.
Wildparken.
Feesten.
Excursies en lezingen.
Wandelroutes.

Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













NSG Achenlochhöhle

      


Ligging: Kreis Euskirchen, Gemeente Kall, nabij Urft.

Onder bescherming sinds: 1985.

Oppervlakte: 7,43 hectare.

Hoogteligging: 420-480 meter boven N.N.

Algemeen.

Het gebied is een bosgebied rondom een meander van de Urft. De Urft en de vegetatie erlangs zijn bepalend voor het aanzien van het gebied. Direct langs de Urft liggen resten van fraaie Elzenbroekbossen. Hogerop groeien bossen met eiken en Elsbessen. Een groot deel van de hellingen wordt ingenomen door het orchideeënrijke beukenbos. Langs het wandelpad zijn fraaie hardhoutbossen met hierin vele rotsblokken te vinden. Dit zijn de zogenaamde "Blockschuttwälder". In het gebied ligt een oude cultuurplek in de vorm van de "Achenhöhle" en boven deze grot is een klein kalkgraslandje te vinden.

Geologie.

Het gebied maakt deel uit van de Sötenicher Kalkmulde. Van de voet van de hellingen tot halverwege ligt vooral Midden-Devonische kalksteen, hogerop ligt dolomietgesteente dat redelijk veel ijzer bevat. Deze kalksteen is ook op enkele plekken ontsloten. Opvallend zijn de karstverschijnselen in het gebied, onder meer een grot, die in de Ijzertijd en in de Romeinse tijd door mensen werd gebruikt. Dit is de "Achenlochhöhle", waaraan het natuurreservaat zijn naam dankt.
Een fraaie meander van de Urft, die hier een heel stuk naar het noorden meandert, bepaalt het aanzien van het gebied. De heuvel in de meander heeft een hoogte van circa 20 meter. Langs de rivier liggen Pleistocene en Holocene grinden met daar bovenop leemafzettingen.
Op de steile hellingen en de hoogvlakte liggen rendzina-bodems. Verder liggen er bruine aardebodems. Op de rotsen is de bodem nog nauwelijks ontwikkeld.



    

Klimaat.

Het gebied kent een gematigd koel klimaat. Het is een matig vochtig, subatlantisch overgangsklimaat met een gemiddelde jaartemperatuur van 8 º Celsius en een gemiddelde neerslag van circa 750 millimeter.

Geschiedkundig.

De Kalkeifel worden al sinds lange tijd bewoond. De Achenlochhöhle is een grot die reeds in de Ijzertijd werd gebruikt. Met name in de Romeinse tijd (2e tot 5e eeuw na Christus) was het gebied relatief dicht bewoond. In het gebied vinden we een ontsluiting van de Romeinse waterleiding die van Nettersheim naar Keulen liep. In deze tijd werd het bos grotendeels teruggedrongen en ontstond een parkachtig cultuurlandschap. Na het vertrek van de Romeinen nam de bevolkingsdruk weer af en groeiden er opnieuw bossen in grote delen van het gebied. Pas in de Frankische tijd begon men opnieuw met het kappen van bos om zo meer akkerland te verkrijgen. De belangrijkste periode van boskap was tussen de 9e en de 13e eeuw. Later, vanaf de 15e eeuw, werden ook de rivierdalen ontbost en in gebruik genomen als weiland. De hellingen langs de Urft bleven met bos begroeid. Wel werd dit bos vanaf de Middeleeuwen intensief gebruikt voor het winnen van brandhout, hout om te bouwen, als plek om het vee te weiden en voor het winnen van plaggen. Het bos werd zo intensief gebruikt dat er tot in de 19e eeuw, toen er weer grootschalig bos werd bijgeplant, eigenlijk alleen nog kleine bomen over waren. Dit kwam omdat er op vele plekken houtschaarste heerste.
De Beuken (Fagus sylvaticus) werden in eerste instantie vooral als brandhout en als hout voor op de bouw en voor meubels gebruikt. Vanaf de 16e eeuw ontwikkelde de ijzerindustrie zich in dit gebied en werden de Beuken tot 1860 met name voor het winnen van houtskool gekapt.
De Eik (Quercus sp.) was belangrijk in de bouw, met name voor vakwerkhuizen werd veel eikenhout gebruikt. Verder was de Eik belangrijk voor het winnen van de schors, die gebruikt werd in de leerlooierijen. De bloeitijd van deze Eichenschälwälder lag tussen 1700 en 1900.
In de hakhoutbossen groeien meer Eiken en Haagbeuken (Carpinus betulus) omdat ze makkelijker opnieuw uitslaan dan Beuken.
Delen van de hakhoutbossen werden in de Pruisische tijd met naaldhout, met name met Fijnsparren (Picea abies) en Dennen (Pinus) herbebost. Dit gebeurde met name vanaf 1920. Op enkele plekken bleef het hakhoutbeheer tot vlak na de Tweede Wereldoorlog bestaan.
Langs de randen van het dal van de Urft en op de aangrenzende hoogvlakte waren grootschalige graslanden ontstaan waarop schapen werden geweid. Resten van deze kalkgraslanden zijn nog te vinden, hoewel de meeste met bos werden beplant.

Flora.

Langs de Urft zijn resten te vinden van broekbossen met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Bosmuur (Stellaria nemorum).Dit is de plantengemeenschap Stellario nemorum-Alnetum glutinosae. Ook groeien hier allerlei soorten wilgen, zoals de Kraakwilg (Salix fragilis). In deze bossen bloeit in het vroege voorjaar Gele anemoon (Anemone ranunculoides), Bosgeelster (Gagea lutea) en Knikkend nagelkruid (Geum rivale). Op plekken waar de ooibossen zijn verdwenen vinden we grote populaties Groot hoefblad (Petasites hybridus) en Moesdistel (Cirsium oloraceum).
De vegetatie van de hellingen wordt bepaald door droge, warmteminnende bossen, stukken struikgewas en vegetaties op kalkrijke rotsen. Bij de bossen valt het soortenrijke Beukenbos met bosgerst (Hordelymo-Fagetum) op. Dit groeit op niet al te steile hellingen met dikke, ietwat vochtigere bruine aarde bodems. Waar het droger wordt en de bodemlaag dunner is, en bestaat uit Rendzina’s, groeit op zuidelijke en zuidwestelijke hellingen het orchideeënrijke beukenbos (Carici-Fagetum). In de hellingbossen groeit Ongevlekt longkruid (Pulmonaria obscura), Daslook (Allium ursinum) en Rood peperboompje (Daphne mezereum). Langs de rand van de weg groeit het Grootbladviooltje (Viola mirabilis).
Iets hogerop vinden we in de bossen veel Blauw parelzaad (Lithospermum purpurocaeruleum), dat eind mei de hellingen van een blauwe waas voorziet. Bovenop in het kalkgraslandje vinden we Duinsalemonszegel (Polygonatum odoratum).
Door het eeuwenlange gebruik als hakhoutbos werd de Beuk (Fagus sylvatica) in delen teruggedrongen ten gunste van de Haagbeuk (Carpinus betulus) en de Zomereik (Quercus robur) en Wintereik (Quercus petraea). Verder groeien in het bos allerlei andere bijzondere boomsoorten, zoals Elsbes (Sorbus torminalis), Meelbes (Sorbus aria), Spaanse aak (Acer campestre) en hier en daar ook Tamme lijsterbes (Sorbus domestica). Het gaat hierbij om een uit hakhout ontstaan min of meer antropogeen beïnvloed Eiken-Haagbeukenbos (Galio sylvatici-Carpinetum betuli) met zuidoost-Europese invloeden. Op kleine schaal komt ook een natuurlijk warmteminnend gemengd eikenbos (Lithospermum purpurocaeruleum-Quercus petraea- gemeenschap) voor met kenmerken van de submediterane bossen met Zachte eik (Quercus pubescens).
Aan de voet van de helling is op het losliggend hellingpuin een ravijnbos (Tilio-Acerion) met Zomerlinde (Tilia plytyphyllos) en Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) ontstaan.
Ook bij de struikgewassen en bosschages, die op nog drogere plekken met nog dunnere bodems als de eikenbossen groeien, is het belang van het gebied te zien. Zo groeit de gemeenschap van het Europees krentenboompje (Cotoneastro-Amelanchieretum) hier op een noordwestelijke voorpost. Ook het Sleedoorn- Liguster-struweel (Pruno-Ligustretum) dat als een buffer naar het bos fungeert, is grotendeels natuurlijk. Langs de bosrand komen zoomvegetaties voor met Breed laserkruid (Laserpitium latifolium), een schermbloemige die in de zomer, ongeveer midden juli, bloeit, Kamzwartkoren (Melampyrum cristatum), Bloedooievaarsbek (Geranium sanguineum), Ruig hertshooi (Hypericum hirsutum), Bochtige klaver (Trifolium medium) en Wede (Isatis tinctoria). Tevens groeien er enkele soorten klokjes te weten het Grasklokje (Campanula rotundifolia), Prachtklokje (Campanula persicifolia), Ruig klokje (Campanula trachelium) en Kluwenklokje (Campanula glomerata).
Op de rotsen groeit Blauwgras (Sesleria albicans), Kalkzwenkgras (Festuca pallens), Aardzegge (Carex humilis) en het zeldzame Duinroosje (Rosa pimpinellilfolia). In de rotsspleten waarin slechts weinig aarde en vochtigheid aanwezig is, groeit de gemeenschap van muurvarens (Asplenietum trichomano-rutae-murariae), welke we ook veel in steden op oude muren kunnen aantreffen. In dit laatste geval betreft het echter secundaire standplaatsen.
Het gebied is zeer rijk aan plantensoorten. In totaal komen er 63 soorten voor die op de Rode lijst van Nordrhein-Westfalen staan. De oorzaak hiervoor is de grote hoeveelheid biotopen in het gebied, die het gevolg zijn van de hellingshoek, de ligging ten opzichte van de zon, de waterhuishouding, de dikte van de bodemlaag en de hoeveelheid licht. En bovendien nemen binnen het relatief kleine gebied de open en halfopen delen een groot aandeel in.
De floristische rijkdom van het gebied werd reeds vroeg gewaardeerd, met name vanwege de voorposten van de warmteminnende submediterrane en subcontinentale soorten. Hiertoe behoren onder meer Blauw parelzaad (Lithospermum purpurocaeruleum), Tamme lijsterbes (Sorbus domestica), Elsbes (Sorbus torminalis), Armbloemige scheefkelk (Arabis pauciflora), Rozetstreepzaad (Crepis praemorsa), vier soorten Wespenorchis (Epipactis sp.), waaronder Kleinbladige wespenorchis (Epipactis microphylla), Zaagblad (Serratula tinctoria) en Breed laserkruid (Laserpitium latifolium).

Mossen en korstmossen.

In het gebied komen 69 soorten mossen voor, waarvan er 15 op de Rode lijst van Nordrhein-Westfalen staan. Hiertoe behoren soorten als Bryum funckii, Plagiomnium ellipticum en Rhytidium rugosum. Een bijzonder korstmos is Caloplaca cirrochroa.

Fauna.


   

           Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans).                                       Waterspreeuw (Cinclus cinclus)

Het gebied is belangrijk voor diverse soorten vleermuizen. In totaal zijn in dit gebied 13 soorten vleermuizen aangetroffen, waaronder enkele bijzondere. Hiertoe behoren onder meer Bechsteinvleermuis (Myotis bechsteinii) en Rosse vleermuis (Nyctalus noctula), dit zijn soorten die een voorkeur hebben voor oude bossen met holle bomen. Andere soorten overwinteren in de grotten of zijn jagend in het gebied aangetroffen. Hiertoe behoren Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Brandts vleermuis (Myotis brandti), Baardvleermuis (Myotis mystacinus), Watervleermuis (Myotis daubentoni), Dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), Meervleermuis (Myotis dascymene), Vale vleermuis (Myotis myotis), Franjestaart (Myotis nattereri), Bruine grootoor (Plecotus auritus) en Grijze grootoor (Plecotus austriacus). Dat is ook de belangrijkste reden waarom de grotten voor het publiek zijn afgesloten.
Langs de Urft leven enkele aan water gebonden vogels zoals de Ijsvogel (Alcedo atthis), de Waterspreeuw (Cinclus cinclus) en de Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea). Ook leeft hier de Zwarte specht (Dryocopus martius). In de open gedeelte van de bossen zingt de Fluiter (Phylloscopus sibilatrix), terwijl je langs de weilanden kunt genieten van de zang van Grasmus (Sylvia communis) en Braamsluiper (Sylvia curruca).
Rondom het gebouwencomplex van het Neuwerk kun je het zachte belletje van de Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) horen.
Op bloemrijke stukken in het gebied zijn allerlei soorten dagvlinders te vinden waaronder Landkaartje (Araschnia levana), Citroenvlinder (Gonepteryx rhamni), Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album) en Keizersmantel (Argynnis paphia). Op open plekken in het bos vliegt het Bont zandoogje (Pararge aegeria).

Onderweg in het gebied.


  
De Urft.

Het gebied is goed ontsloten door wandelwegen. Een mooie korte wandeling van circa 3 kilometer begint bij het station van Urft. Hier neem je de weg die bovenlangs het dal richting Neuwerk voert. Bij een splitsing neem je de onderste weg, onderweg passeer je fraaie bossen met veel Daslook. Daarna loop je verder langs de gebouwen van het Neuwerk, langs een weiland en dan op een breed bospad op circa 15 meter boven de Urft door het natuurreservaat. Aan het einde steek je over een brug de Urft over en slaat voor het spoor rechtsaf. Deze weg brengt je vanzelf weer terug tot het uitgangspunt.
Een alternatieve route is het dal van de Urft te volgen tot Nettersheim en dan de trein terug te nemen naar Urft, deze route is circa 6 kilometer lang.

Tijd.

Voor een wandeling in het gebied moet je enkele uren tot een halve dag uittrekken.
Een mooie tijd is tijdens de bloei van de Daslook (Allium ursinum) en van het Blauw parelzaad (Lithospermum purpurocaeruleum), omstreeks midden tot eind mei. Voor het Grootbladviooltje (Viola mirabilis) ben je dan echter al te laat, dit bloeit begin mei op zijn mooist, en dan tref je ook de andere voorjaarsbloeiers zoals Bolletjeskers (Dentaria bulbifera) en Knikkend nagelkruid (Geum rivale) in bloei. Voor Groot laserkruid (Laserpitium latifolium) moet je het gebied begin juli bezoeken.