Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













Wild zwijn.
     

           Wilde zwijnen houden met hun wroeten                      De Alpenwatersalamander is vaak te vinden bij de     
           de bodem open.                                                           zoelplekken van Wilde zwijnen.


Algemeen en familieverbanden.

Het Wild zwijn (Sus scrofa) is een bij bijna iedereen bekend bosdier. De dieren kunnen behoorlijk groot worden. De mannetjes (evers of beren) kunnen een gewicht van 100 kilo bereiken, terwijl de wijfjes (zeugen) ongeveer 90 kilo wegen. Biggen zijn ze tot ze 12 maanden oud zijn, daarna horen ze van 12 tot 24 maanden bij de overlopers. De bronstijd van het Wild zwijn loopt volgens de literatuurgegevens van november tot december, met een eventuele uitloop tot maart. Uit recent onderzoek in Luxemburg echter is gebleken dat er het hele jaar door zwangere zeugen te vinden zijn en dat de jongen dus niet alleen tussen februari en maart (eventueel tot april) geboren worden, maar ook het heel jaar door. Een zeug kan, afhankelijk van haar eigen lichaamsgewicht, vier tot acht (eventueel zelfs tien) jongen werpen. Deze zijn bruin met lichtere strepen op hun rug en flanken waardoor ze minder goed opvallen. Doorgaans worden ze tot een leeftijd van 12 maanden als biggetjes beschouwd en tussen 12 en 24 maanden als overlopers aangeduidt. Onder omstandigheden waarbij er voldoende voedsel aanwezig is, kunnen de dieren echter al veel eerder volwassen zijn.Sommige biggen, die zelf nog geen 12 maanden oud zijn, kunnen dus binnen een jaar zelf alweer jongen krijgen. De vrouwtjes zijn geslachtsrijp vanaf het moment dat ze ongeveer 30 tot 35 kilogram wegen. Dat gewicht bereikten vrouwtjes in Luxemburg al na vijf maanden, in Vlaanderen na 6 tot 7 maanden, terwijl er doorgaans vanuit wordt gegaan dat de dieren met acht maanden geslachtsrijp worden.
Gemiddeld worden Wilde zwijnen niet erg oud, maar ze planten zich wel snel voort, waardoor de populatie toch in stand blijft of zelfs groeit.
Biggen hebben een slechte temperatuursregulatie. De zeugen maken eenvoudige nesten die weinig bescherming tegen kou en neerslag bieden. Vooral de nesten van jonge zeugen zijn slecht, bij jonge moeders is de sterfte onder de biggen soms wel 50%. Oudere zeugen kiezen betere plekken voor hun nesten en maken deze bijvoorbeeld onder een spar waar het lekker droog is.
De sturende factoren in de populatie zijn de aanwezigheid van voedsel (mast genaamd) en de mortaliteit in de wintermaanden. De hoeveelheid beschikbare mast varieërt per jaar, waardoor er ook grote fluctuaties in de populaties kunnen bestaan. Vroeger werden er vooral veel biggetjes geboren in mastjaren, dat zijn jaren waarin de bomen extra veel vruchten voortbrengen. Mastjaren van eiken (Quercus sp.) of Beuken (Fagus sylvatica) zijn hierbij van groot belang. Tegenwoordig is het landgebruik doorgaans zo versnipperd dat het voor de dieren helemaal niet moeilijk is om een maïsakker te bereiken. Daardoor kan gezegd worden dat de draagkracht van een gebied voor Wilde zwijnen wordt bepaald door de hoeveel maïs die in de omgeving wordt verbouwd.Daardoor is er eigenlijk overal genoeg voedsel te vinden. Maïsvelden kunnen aan de binnenkant helemaal worden kaalgevreten door Wilde zwijnen. Natuurgebieden dienen vooral als dagrustplaatsen. Dit levert overigens wel problemen op als in de natuurgebieden waar de dieren zich overdag ophouden zeldzame planten groeien. Deze kunnen verdwijnen door de wroet- en zoelactiviteiten van de zwijnen.

Wilde zwijnen leven volgens een matriarchale structuur, dat wil zeggen dat de familiegroepen (rottes) bestaan uit een leidende zeug met haar dochters en eventueel haar zussen. Daarbij horen ook sub-adulten (de biggen van dit jaar, de biggen van vorig jaar en de overlopers). Binnen een populatie Wilde zwijnen bestaat 61% van de groep uit biggen, 18% uit subadulten (overlopers) en 20% uit adulten. De mannelijke overlopers trekken in het 2e levensjaar weg en leven dan solitair. Volwassen beren zoeken de rotten alleen op in de paartijd.

Leefwijze.

De dag wordt doorgebracht op plekken waar voldoende dekking is en waar de dieren waterplassen om in de zoelen vinden. Overdag kunnen Wilde zwijnen zich in enorme aantallen binnen zeer kleine gebieden ophouden.Ze trekken zich dus terug op plekken waar ze kunnen uitrusten zonder gestoord te worden. Pas in de schemering worden ze weer actief.
’s Nachts verspreiden ze zich over een veel groter gebied om te foerageren. Daarbij kunnen voedseltochten worden ondernomen van 10 tot 20 km lengte. Zo kan het voorkomen dat dieren vanuit het Hertogenwald bij Eupen tot aan de Nederlandse grens komen.
Wanneer Wilde zwijnen vaak gestoord worden, gaan ze zich over grotere gebieden verspreiden. In rustige gebieden zijn ze soms zelfs overdag actief. De home-range van vrouwtjes is 3 tot 28 km2, van de mannetjes is dit 4 tot 60 km2. De enorme variatie hierin komt door het landschap en de beschikbaarheid van voedsel die overal anders is.

Sterke populatiegroei.

In heel Europa neemt het aantal Wilde zwijnen toe. Er zijn vijf oorzaken voor deze toename.
Ten eerste wordt er steeds meer maïs verbouwd, hetgeen erg goed voedsel voor Wilde zwijnen vormt. Percelen met maïs worden overigens van binnenuit kaalgevreten.
Daarnaast volgen de mastjaren elkaar sneller op, vroeger traden mastjaren om de 10 jaar op, tegenwoordig is dit om de 3 à 4 jaar.
Ten derde vindt er vaak een afleidingsbijvoedering in het bos plaats om te voorkomen dat de zwijnen uit de maïsakkers blijven. Dit werkt meestal niet, want er moet eigenlijk minstens 2 kilometer tussen de bijvoerplek en de maïsakker liggen om te voorkomen dat de dieren van allebei de walletjes snoepen. Dit betekent dus weer extra voedsel voor de populatie en dus groei, waardoor er weer meer afschot nodig is.
Ten vierde het milde klimaat met veel zachte winters. Zo zijn er met name weinig late koude periodes die een hoge sterfte onder de jongen veroorzaken.
Tenslotte wordt er op een andere wijze gejaagd. Zo werd in Frankrijk bijvoorbeeld vroeger op alles geschoten. Sinds de jacht op klein wild verdwenen is, wordt er meer op Wilde zwijnen gejaagd en wordt de populatie kunstmatig hoog gehouden zodat er genoeg te jagen valt.
In Zweden, waar ze voorheen niet of nauwelijks voorkwamen, schuift hun verspreiding telkens verder naar het noorden op.
Er wordt voor Wallonië uitgegaan van een aantal van 5000 Wilde zwijnen in 1980 tegen 24.000 dieren in 2006. Dit is de voorjaarsstand, waarbij er dus nog geen biggetjes zijn geboren. Oorzaken voor de toename zijn onder meer het regelmatiger optreden van mastjaren van bomen, de zachte winters en het feit dat de jagers steeds meer geïnteresseerd zijn in de jacht op Wild zwijn. Vroeger werd bij wijze van spreken ieder Wild zwijn dat gezien werd, direct afgeschoten. Nu laat men de stand eerst toenemen, zodat men later meer kan schieten. Dit omdat het kleinwild waarop vroeger geschoten werd, steeds verder afneemt.
In Vlaanderen nemen Wilde zwijnen ook toe. In 2005-2006 werden ze bij Brugge gezien en in 2007 doken ze op in het Zoniënwoud bij Brussel. In het Zoniënwoud zijn in 2010 4 Wilde zwijnen in het verkeer om het leven gekomen, hier zitten waarschijnlijk maar enkele dieren. In de buurt van Ieper kwamen Wilde zwijnen terecht door de overloop uit Frankrijk.Vanaf 2006 komen ze ook voor in Belgisch-Limburg, waar ze met name in de omgeving van Nationaal Park Hoge Kempen, onder meer nabij Zutendaal, te vinden zijn. Ze zitten ook bij Hechtel-Eksel en bij Beringe. In de Voerstreek waren ze altijd al veel te vinden, maar ook hier vertoont de populatie een snelle groei.
Vlaanderen is goed voor zwijnen, er is veel voedsel (maïs) en er heerst een mild klimaat. Dit is goed voor de zwijnen en zorgt voor een snelle groei van de populatie. De dieren die er leven zijn zwaar, dat betekent een snelle gewichtstoename bij de biggen. Hierdoor is een hoog percentage van de biggen drachtig en heeft grote worpen.
Ook in Nederlands-Limburg, waar ze tot 2000 alleen in Nationaal Park Meinweg voorkwamen, breiden ze zich steeds meer uit. In de Vijlenerbossen en in de bossen op de hellingen van het Geul- en Gulpdal zijn ze inmiddels een redelijk gewone verschijning geworden. De populaties in zuidelijk Limburg zijn vrijwel zeker ontstaan uit populaties uit de Voerstreek of uit de Eifel, die het gebied via het Aachener Wald konden bereiken.Qua voedselaanbod zouden Wilde zwijnen kunnen leven in de volgende gebieden: Boswachterij Vaals, Maasduinen, Weerterbos, Weerter-en Budelerbergen, Mook (verbinding met Reichswald) en de Maria- en Deurnese Peel. Wanneer gekeken wordt naar risico´s met betrekking tot landbouw en verkeersveiligheid scoren Boswachterij Vaals, Meinweg, Maasduinen en Maria- en Deurnese Peel goed.
Het is echter juridisch nog steeds zo dat buiten de Meinweg en de Veluwe officieel geen Wilde zwijnen mogen voorkomen (nulstandbeleid).
Wilde zwijnen zijn echter moeilijk waar te nemen en dus moeilijk te tellen. Ze zijn schuw en de beste kans om ze te zien is er bij zonsop- of ondergang. Het best kan worden gekeken naar plekken waar ze gewroet hebben op zoek naar regenwormen, slakken en emelten. De gekeerde zoden werden vroeger met een speciale riek met kromme tanden weer omgekeerd. Daarnaast zijn de zoelplekken, veegbomen, wissels en typische pootafdrukken goede kenmerken. Om huidparasieten kwijt te raken nemen Wilde zwijnen modderbaden. Deze zoelplekken zijn vaak helemaal kaal en van grote afstand is al te zien dat er Wilde zwijnen hebben gebaad. Na de modder blijft een laagje modder op de huid achter. Dit wordt op de typische schuurbomen afgewreven. Deze bomen zijn op 50-60 cm hoogte kaalgeschuurd en soms zelfs helemaal verharst en bedekt met haren.

Jacht.

In Luxemburg was in 1900 het afschot van Wilde zwijnen 600 exemplaren per jaar, terwijl dit in 2005 2000 exemplaren per jaar bedroeg. Daarbij is de grootste toename sinds 1989 ingetreden. In Wallonië worden jaarlijks 20.000 Wilde zwijnen geschoten en toch blijft de populatie nog groeien. In Vlaanderen, met name in de omgeving van Hasselt en in de Voerstreek) was tussen 1946 en 1968 het afschot van Wilde zwijnen wel nodig. Nu mogen in Vlaanderen Wilde zwijnen het hele jaar door geschoten worden en heerst er voor heel Vlaanderen een nulstand-beleid. Toch lukt het niet om alle dieren af te schieten.
Omdat een populatie Wilde zwijnen grotendeels uit jonge dieren bestaat, moet er bij het reguleren van de populatie vooral op de jongen worden gejaagd.
Ter vergelijking, bij Reeën (Capreolus capreolus) bestaat 34% van de populatie uit jongen, 18% uit sub-adulten en 48% uit adulten. Bij Reeën wordt de populatie dan ook vooral gereguleerd door op adulten te jagen. Bij het reguleren van de populatie van dieren moet steeds worden gekeken naar de verhouding tussen de densiteit van de dieren en de draagkracht van een gebied.
Soms worden Wilde zwijnen en huisvarkens bewust met elkaar gekruist, dit levert namelijk bij de huiszwijnen meer jongen op. In Wallonië zijn de hybrides afkomstig van grote varkensfokkerijen. Ze worden vlak voor het jachtseizoen losgelaten in de bossen.

Schade.


Doordat er steeds meer Wilde zwijnen komen en deze steeds meer maisvelden gebruiken om te foerageren, ontstaat er economische schade bij boeren. Datzelfde geldt voor het omwoelen van weilanden door Wilde zwijnen. Dit hoeft echter geen probleem te zijn, aangezien het faunafonds in Limburg deze schade vergoed. De schade is recent wel behoorlijk gegroeid. In 2006 was er nog geen enkele schademelding bij het Limburgse faunafonds binnengekomen. In 2010 werd er in Zuid-Limburg in totaal 30.000 Euro schadevergoeding uitgekeerd.