Leefgebied van de Ringslang in NSG Wurmdal. Jonge Ringslang op de Breinigerberg.
De Ringslang (Natrix natrix) is het grootste inheemse reptiel. De vrouwtjes kunnen wel 130 centimeter lang worden. De mannetjes bereiken hoogstens een lengte van 90 centimeter. De vrouwtjes zijn vaak ook krachtiger gebouwd en zwaarder dan de mannetjes. De dieren moeten het bij hun verdediging ook hebben van hun grootte. Ze blazen zich dan zo groot mogelijk op en sissen. Bijten doen ze eigenlijk niet en wie zijn angst heeft overwonnen kan de dieren gerust vastpakken. Wel moet daarbij opgepast worden dat de dieren hun anaalklieren niet op de belager ledigen. Een ondraaglijke stank is dan het loon. Mocht helemaal niets meer helpen, dan gaan de dieren in een schijndood of akinese. Hun kop ligt slap naar onder en hun tong hangt uit hun mond.
De dieren zijn het eenvoudigst te herkennen aan de gele ring van vlekken in de nek. Deze kunnen lichtgeel of wit zijn en soms ontbreken ze zelfs geheel. Direct achter de lichte vlekken bevinden zich ook twee grote zwarte vlekken. Het lichaam van de Ringslang is doorgaans grijsgroen, maar soms ook bruin van kleur. Op de flanken bevinden zich zwarte vlekken en strepen. De buik is wit tot lichtgeel en bevat eenunieke streepjescode met een voor ieder individu herkenbaar patroon van vlekken en strepen.
Kenmerkend voor de Ringslang is ook de lange staart, deze is veel langer dan bij de Adder (Vipera berus) en Gladde slang (Coronella austriaca).
Ringslangen leven vooral van amfibieën en in mindere mate ook van vis. Daarbij worden met name algemene soorten als Gewone pad (Bufo bufo), Bruine kikker (Rana temporia) en Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en in mindere mate ook groene kikkers als prooidier gemeld. Soms worden ook zoogdieren, vogels, reptielen en zelfs soortgenoten gegeten.
Ondersoorten.
De in Limburg, en ten westen van de Rijn, inheemse Ringlang behoort tot de ondersoort ´helvetica´. Deze dieren zijn herkenbaar aan het feit dat de vlekken in de nek vaak onopvallend zijn of zelfs ontbreken. Het zijn grote, robuste dieren met opvallende zwarte strepen op de flanken. In Duitsland draagt deze ondersoort de naam ´Barrenringelnatter´, barre betekent streep. Deze ondersoort is te vinden in de Benelux, Groot-Brittanië, Frankrijk, het westen van Duitsland, delen van Zwitserland en Noord-Italië. Ten oosten van de Rijn komt de ondersoort ´natrix´ voor, die duidelijke gele vlekken in de nek heeft.
Enkele tientallen kilometers ten oosten van de Rijn bevindt zich een overlappingszone, waarin zowel de ondersoort `natrix` als de ondersoort `helvetica` voorkomt. Hier komen dieren voor met kenmerken van beide ondersoorten.
Op de Brunssummerheide zijn daarnaast ook nog dieren aangetroffen van de ondersoort `persa`. Deze komt voor vanaf Istrië tot aan de Kaukasus. Deze dieren zijn opvallend gestreept met twee lichte strepen over de rug en dit was bij een vijfde deel van de dieren op de Brunssummerheide ook het geval, waardoor te zien is dat het om deze ondersoort gaat. De gele vlekken achter de kop zijn vaak slecht ontwikkeld en ver van elkaar verwijderd. Zij vormen vaak ook geen ring. De zwarte vlekken staan ook ver van elkaar.
Voortplanting.
De vrouwtjes leggen in juni hun eieren in broeihopen waar ze door de zon verder worden uitgebroed. Dit kunnen wel 35 eieren per dier zijn. De broedhopen moeten een hoge luchtvochtigheid hebben en een constante temperatuur tussen 27 en 30º Celsius. Naast natuurlijke plekken, zoals rottende of aangespoelde vegetatie, vermolmd hout en broeiende mosplakkaten worden ook vaak mest-, compost- of zaagselhopen gebruikt. Ook extra ten behoeve van de Ringslang opgeworpen broeihopen worden geaccepteerd. Juvenielen zijn bij hun geboorte 14 tot 22 centimeter lang en hebben al het uiterlijk van de volwassen dieren.
Biotoop.
De Ringslang overwintert in vorstvrije hibernacula die bovendien een voldoende hoge luchtvochtigheid dienen te hebben. De dieren kiezen hierbij voor verlaten holen, vermolmde bomen, hopen met bladafval en eventueel bouwwerken.
Verspreiding in de Eifel.
In de Eifel komt de Ringslang onder meer voor in de buurt van Stolberg. Op de Schlangenberg bij Breinig komt de Ringslang naast de Gladde slang voor. Ook in het dal van de Worm is de soort te vinden. Hier leeft ze in de Worm zelf, maar ook langs de Wildbach en in het dal van de Broichbach. Ook langs de Inde is de soort te vinden. In het Rurdal kan het dier onder meer gevonden worden in de omgeving van Blens.
Verspreiding in Nederlands-Limburg.
Brunssummerheide.
Een bekende populatie van de Ringslang bevindt zich op de Brunssummerheide. De eerste melding stamt al van 1913. Nabij de Schrieversheidevennen zijn in 2003 zes adulte dieren op een afstand van 100 meter gevonden. Het vermoeden bestaat dat de populatie op de Brunssummerheide inmiddels enkele tientallen adulten omvat. Het gebied is ook zeker geschikt voor de dieren. Er zijn veel prooidieren aanwezig en er is een grote variatie in waterpartijen. Van stromend water tot stilstaande wateren in allerlei dieptes en groottes.
Naast uitgezette dieren, dit is zeker te zien aan de dieren die tot de ondersoort ´persa´ behoren, leven er ook autochtone exemplaren van de ondersoort ´helvetica´. Enkele van deze autochtone dieren werden in het verleden na hoog water bij de Worm gevangen door lokale politie-agenten en vervolgens uitgezet op de Brunssummerheide, een in hun ogen veel geschikter slangenbiotoop. Dit is na de Tweede Wereldoorlog enkele keren gebeurt. De ei-afzet vindt waarschijnlijk onder meer plaats in de mesthopen van de manege op de Brunssummerheide.
Worm.
Lange tijd waren er geen waarnemingen van Ringslangen meer gedaan langs de Nederlandse Worm. Tot in de jaren tachtig van de 20e eeuw leefde een populatie in een moerasgebied ten zuiden van Rimburg. Hier werd echter een wapendepot gebouwd waardoor het leefgebied verwoest werd en de populatie verdween. In de zomer van 2005 werden er echter weer dieren gezien bij de visvijver in Rimburg en langs de oever van de Worm. Deze dieren worden sindsdien regelmatig gezien. Er wordt vanuit gegaan dat de dieren hier vooral foerageren. Toch zijn er enkele broedhopen gemaakt in de hoop dat de dieren hier ook tot voortplanting overgaan. De dieren overwinteren in een spoordijk en in de hellingbossen rondom hun leefgebied.
Aan de rand van het Kerkraadse natuurgebied Carisborg, grenzend aan de Worm, werden in de jaren 90 van de vorige eeuw, regelmatig Ringslangen in tuinvijvers waargenomen. Hier leefden ze onder meer van goudvissen. De dieren in Rimburg behoren tot de autochtone West-Europese ondersoort ´helvetica´.
Kop van Noord-Limburg.
De Ringslangen in de Kop van Noord-Limburg sluiten aan bij een uitgezette populatie rondom Groesbeek en rondom natuurreservaat De Bruuk. Acht dieren werden hier in 1973 geintroduceerd. Ze waren afkomstig uit de provincie Utrecht waar hun leefgebied door de aanleg van een snelweg werd bedreigd. Deze populatie handhaaft zich echter al tientallen jaren. Hier is onder meer rondom Milsbeek een populatie aanwezig. Een deel van de populatie is ook te vinden in het aangrenzende Duitse Reichswald. De dieren overwinteren in een voormalige vuilnisbelt en in de hogere delen van het Reichswald.