Grootte: 213 hectare.
Ligging: Kreis Düren, Stadt Jülich en Stadt Linnich, nabij Barmen.
Hoogte: 74 meter boven NN.
Algemeen.
Net ten noorden van Jülich ligt een prachtig stukje Rur. Het gebied ligt tussen de dorpjes Barmen, Floßdorf, Tetz en Broich. Het is het langste natuurlijke stuk Rur in het gebied rondom Jülich. De rivier heeft hier nog alle kans om te meanderen en stroomt door uitgestrekte populierenplantages. Ook de zijbeekjes liggen nog grotendeels in hun natuurlijke bedding. Her en der liggen oude rivierarmen die een oase voor watervogels vormen. In de Rur liggen grindbanken waarop vogels broeden en allerlei planten kunnen kiemen. De steile erosieoevers vormen een ideale broedplaats voor de IJsvogel (Alcedo atthis). Daarnaast liggen er resten van fraaie ooibossen in het dal. Dit is bijzonder omdat de gehele omgeving, de Jülicher Börde, een intensief gebruikt akkergebied is door de aanwezigheid van vruchtbare lössbodems. Het voormalige kasteelpark is nu beschermd als NSG Kellenberger Kamp en vormt een eenheid met het NSG Rurmeander zwischen Floßdorf und Broich.
Door de kans op overstromingen werden de gebieden vlakbij de Rur echter minder intensief gebruikt en bleven er zelfs hele stukken in natuurlijke staat. Tot in de jaren 1970 was het heel gewoon om in het gebied dat je in eigendom had populieren te planten. De grenzen van de stukken van de verschillende eigenaren werden aangegeven door op iedere stam het huisnummer te verven. Deze genummerde bomen staan er nog. Bij een bruiloft dienden ze vaak als bruidschat. Onder de populieren werden vroeger koeien geweid, zodat men dubbele inkomsten van het stuk land had. Dit was het zogenaamde Drieschland.
Geologie.
Tussen Jülich-Broich en Floßdorf trad de Rur regelmatig buiten haar oevers. Dit kwam door de toevoer van het water uit de Inde, die bij Kirchberg (vlakbij Jülich) in de Rur uitmondt. De Rur kon dan dit wateroverschot niet verwerken en trad buiten haar oevers. Om dit probleem op te lossen werd in 1984 een 1200 meter lange meander bij Tetz afgesneden en kwam er een 650 meter lange, nieuwe loop van de Rur. Hierbij hoorde ook een stuw. De oude meander bleef echter behouden en is nu een waardevol natuurreservaat. Over een afstand van 3,5 kilometer werden kleine dammen aan beide kanten langs de Rur aangelegd. De rest van het landschap bleef daarbij echter onaangetast en behield haar oorspronkelijke karakter.
Een ander probleem in het laatste nog overgebleven natuurlijke gedeelte van de Rur als laaglandrivier in Duitsland was de grootschalige grindwinning die tot 1980 nabij Barmen plaatsvond. De plas die hierbij ontstond kwam door de natuurlijke meandering van de Rur steeds dichter bij de rivier te liggen. Bij het hoogwater in de winter van 1993-1994 drong de Rur de Barmener See binnen. Dit leidde tot een permanent hogere waterstand van de waterspiegel van de plas, waarbij dit normaliter slechts in bepaalde periodes plaatsvond. Ook werden de lage dijken langs de plas hierdoor extra zwaar belast en steeg het grondwater in de bebouwde kom van Barmen. De oorspronkelijke loop van de Roer viel door de diepere ligging van de grindplas, die 1-2 meter dieper dan de rivier ligt, bijna droog. Er werd besloten om tussen de grindplas en de Rur een dijk te bouwen, waarbij de plas wel haar functie als retentiebekken bij hoogwater moest kunnen blijven vervullen.
Het dal van de Rur is tussen Jülich en Linnich circa 2 tot 2,5 km breed. Tussen Floßdorf en Rurdorf, is de steilrand die het dal van de Rur aan de westzijde begrensd duidelijk zichtbaar. Op deze steilrand, die een hoogte van 25 meter bereikt, heeft zich een fraai hardhoutbos ontwikkeld. De dominerende boomsoort hierin is de Gewone es (Fraxinus excelsior). In het vroege voorjaar bloeit er veel Daslook (Allium ursinum). Op de oostelijke oever is de begrenzing van het Rurdal veel geleidelijker.
Historie.
In het gebied ligt het landhuis Kellenberg, een 15e -16e eeuwse waterburcht met dikke bakstenen muren en stevige torens. Bij deze burcht hoort een watermolen, de Kellenberger Mühle. Deze molen is witgekalkt en vlakbij de stuw is nog het waterrad te zien. Dit is ingemetseld in een apart gebouwtje, zodat het niet teveel te leiden heeft van de weersinvloeden. De watermolen ligt, evenals de andere watermolen, langs een gegraven molentak, die ook de naam Mühlenbach draagt. Om precies te zijn is het de Altdorf-Kirchberg-Koslarer Mühlenteich. Ze begint bij Altdorf en is met zijn 13,36 km lengte een behoorlijk forse Mühlenteich. Per seconde stroomt 1 m3 water per seconde uit de Inde erin. Bij Floßdorf mondt de Mühlenteich uit in de Rur. In 1820 lagen er 11 molens langs. Tegenwoordig heeft de Altdorf-Kirchberg-Koslarer Mühlenteich nog maar weinig belang voor de industrie. Tussen Koslar, Barmen en Floßdorf stroomt ze als een redelijk natuurlijke beek door het Kellenberger Forst. De molenbeek is behoorlijk breed en voert rijkelijk water. Aan de verhoogde ligging in het terrein, welke vooral goed zichtbaar is in het dorp Barmen, maar ook aan de walletjes aan weerszijden van de beek, is goed te zien dat deze beek gegraven is. Desondanks is ze toch heel mooi om te zien.
Ongeveer halverwege tussen Barmen en Floßdorf ligt, een beetje verstopt in het bos, een kleine begraafplaats. Hier liggen enkele leden van de Grafen von und zu Hoensbroech und Kellenberg begraven. Het kleine kerkhof is omgeven door een muur van stapelstenen. Binnenin groeien vele Sneeuwklokjes (Galanthus nivalis) en Wilde hyacinten (Scilla non-scripta).
Flora.
Het Kellenberger Wald op de zuidoever van de Rur tussen Barmen en Floßdorf, aan weerszijden van de Mühlenbach, wordt gedomineerd door loofbomen. Wintereiken-haagbeukenbossen domineren de vegetatie op de drogere, hoger gelegen grond, terwijl op de lager gelegen vochtigere stukken vooral Elzen-essenbossen te vinden zijn met Zwarte els (Alnus glutinosa) en Gewone es (Fraxinus excelsior). Vlakbij kasteel Kellenberg zijn nog resten te vinden van de hardhoutooibossen die vroeger op de hogere gronden langs de Rur te vinden waren. Deze bossen verdragen overstromingen van de Rur, mits dit niet al te vaak gebeurt. De ondergroei is rijk en vooral in het vroege voorjaar de moeite van het bezoek meer dan waard. Naast gewone soorten zoals Hondsdraf (Glechoma hederifolia) en Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum), die door hun massale aanwezigheid aspectbepalend werken, groeien er ook zeldzaamheden. Onder meer Veelbloemige salemonszegel (Polygonatum multiflorum), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum) en Ongevlekt longkruid (Pulmonaria obscura). Een echte topper is een klein beukenbosje met enkele tienduizenden Wilde hyacinten (Scilla non-scripta). In de bloeitijd van de Wilde hyacint, tussen eind april en begin mei, ziet de bosbodem hier helemaal blauw van de vele zoet geurende klokjes. Andere voorjaarsbloeiers die hier voorkomen zijn onder meer Speenkruid (Ranunculus ficaria), Muskuskruid (Adoxa moschatellina), Donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana) en Grote muur (Stellaria holostea). In de buurt van Floßdorf, maar ook elders in het gebied, is een prachtige helling vol met Daslook (Allium ursinum) te vinden.
Het zachthoutooibos is ook op veel plekken te vinden. Hierin domineren diverse soorten Wilgen (Salix sp.) de vegetatie. Ook groeien er veel ruigtekruiden.
Tegenwoordig heeft zich op veel plekken in de uiterwaarden van de Rur een ruigte ontwikkeld die gedomineerd wordt door Grote brandnetel (Urtica dioica), Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum), Witte dovenetel (Lamium album), Zevenblad (Aegopodium podagraria) en Kleefkruid (Gallium aparine). In de boomlaag domineren wilgen (Salix sp.) en Zwarte elzen (Alnus glutinosa). Iets hogerop komen hier Haagwinde (Calystegia sepium), Bitterzoet (Solanum dulcamara) en Geoord helmkruid (Scrophularia auriculata) bij. De struiklaag bestaat uit onder meer Rode kornoelje (Cornus sanguineum), Gelderse roos (Viburnum opulus) en Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum). Helaas neemt een nieuwkomer uit Azië, een zogenaamde neophyt, namelijk de Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), steeds meer de plaats van de inheemse ruigtekruiden op de voedselrijke bodems van de ooibossen in. Naast populieren zijn er gelukkig ook nog delen met inheemse boomsoorten zoals wilgen te vinden, al is dit aspekt zeldzaam geworden. Op de hele natte, modderige plekken groeit Rietgras (Phalaris arundinacea), Knikkend tandzaad (Bidens cernua), Gele lis (Iris pseudacoris) en Zwanenbloem (Bitumus umbellatus). In de oude meanders liggen rietkragen en zeggemoerassen. In het water groeit Veelwortelig kroos (Spirodela polyrhiza), Lidsteng (Hippuris vulgaris), sterrenkroos (), Witte waterkers (Nasturtium officinale) en Waterpeper (Polygonum hydropiper).
In het water groeit ook Zannichelia (Zannichellia palustris) en Tenger fonteinkruid (Potamogeton pussilus).
De plantages met Canadese populieren (Populus X canadensis) vormen monoculturen, met in de ondergroei vrijwel alleen gras.
Fauna.
Het gebied is bebost en daardoor zijn er typische bosvogels zoals Grote bonte specht (Dendrocopus major), Vink (Fringilla coelebs) en Koolmees (Parus major) te vinden. In de open populierenplantages voelt de Groene specht (Picus viridis) zich thuis. Ook de Wielewaal (Oriolus orioius) is te vinden in deze open bosachtige gebieden.
Langs de Rur leven Bisamratten () en Beverratten (Myocaster coypus). Er zijn zelfs Bevers (Castor fiber) in behoorlijke aantallen te vinden. De Bever gebruikt de Rur als verbindingszone tussen de Eifel en Nederland. Bevers zijn schuwe nachtdieren, ze verraden hun aanwezigheid door de vele knaagsporen die onder meer op de vele dikke populieren langs de Rur te zien zijn. Ook liggen her en der langs de oevers knaagplekjes waar de bevers een dikkere of juist dunne tak hebben geschild. Op deze takken zijn de brede tandafdrukken van de knagers goed te zien. Ook dragen de takjes vaak een schuine zijde. In de winter overwinteren vaak grote aantallen Wintertalingen (Anas crecca) en Dodaarzen () op de Rur. In de trektijd zijn fouragerende Witgatjes (Tringa ochropus) in het gebied te vinden.
In de wat ruigere delen is de Nachtegaal () op warme lente-avonden een lust voor het oor. Deze schuwe zanger laat zich vaker horen dan zien.
Boven het water jagen Watervleermuizen (Myosotis daubentonii).
Mycologie.
Op de voedselrijke bodems is in het voorjaar de Kapjesmorielje (Morchella elata) beslist niet zeldzaam.
Onderweg in het gebied.
Om het gebied te bezoeken is de wandelroute "Bevers, boshyacinten en een baggersee langs de Rur in Barmen" zeer geschikt. U heeft de keuze uit twee routes die samen tot een 12 kilometer lange tocht kunnen worden verbonden. Voor de vogelliefhebbers is het aan te raden eerst de 3 kilometer lange route rondom de Barmener See met zijn vele watervogels en vogelkijkhut te maken. De anderen hebben de keuze om eerst de 9 kilometer lange route langs de Rur te volgen en daarna rondom het meer te lopen of andersom. Met name in het voorjaar is de route door het Kellenberger Kamp zeer aanbevelenswaardig vanwege de vele voorjaarsbloeiers. Door niet via de brug bij Rurdorf, maar al via de brug bij Floßdorf de Rur over te steken, kan de negen kilometer lange route worden ingekort tot zes kilometer. Deze wandeling, zeker vanwege de afkortingsmogelijkheden, is ook geschikt voor mensen met jonge kinderen en op één klein hoog bruggetje aan het eind van het rondje rond de Barmener See na is ze ook heel geschikt voor kinderwagens.
Tijd.
Een bezoek aan het gebied is het hele jaar door interessant. In de winter vanwege de watervogels op het grindgat Barmener See, in lente, met name half april tot half mei vanwege de voorjaarsflora in het Kellenberger Wald, in de voorzomer vanwege de vele vogels in het moerasgebied en ook in de herfst om lekker uit te waaien.
Trek voor een bezoek aan het gebied middels de wandeling circa 4-5 uur uit.