Blauwe druifjes zijn bolgeofyten die tien tot dertig centimeter hoog kunnen worden. Ze bloeien van april tot mei in droge kalkgraslanden, in open bossen en in braakland. De twee tot vier bladeren zijn meestal korter dan de bloeiwijze. Ze zijn drie tot acht millimeter breed en het bovenste gedeelte is verbreed. De bladeren zijn nagenoeg vlak of ietwat gootvormig. De licht of helderblauwe bloemen zijn vrijwel reukloos en staan in een tros aan de stengel. Bovenin de tros staat een klein aantal onvruchtbare bloemen die met enige fantasie aan een tros druiven doet denken. Onder de steriele bloemen staan urnvormige fertiele bloemen met een lengte van 4 tot 5 millimeter en naar achteren omgekromde tanden. Een bol kan één tot twee bloeistengels hebben. Waarschijnlijk is deze soort in de Ardennen alleen in de omgeving van Han-sur-Lesse echt inheems, waar ze groeit in droge kalkgraslanden. Haar oorspronkelijke areaal omvat Centraal-Europa en Zuidoost-Europa tot in het noordwesten van Frankrijk, Sicilië en het Balkanschiereiland. Sinds 1576 worden Blauwe druifjes als sierplant gekweekt. De aanwezigheid van Blauwe druifjes in een gebied zou in Nederland kunnen wijzen op de vroegere aanwezigheid van kastelen of kloosters.