Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













Lohschälen.

Eikenbossen werden gebruikt voor het "Lohschälen", het schillen van eikenschors ten behoeve van de leerlooierijen. De schors (eek of bark in het Nederlands, ´Lohe´ in het Duits) kwam vooral van armdikke eiken van 12 tot 15 jaar oud uit de zogenaamde "Niederwald". Deze werden in het voorjaar (mei-juni), als het sap in de jonge eiken omhoog gestegen was, geschild. Daartoe waren een schilmes, een ´Lohlöffel´ en een hamer om de bast los te kloppen nodig. Eerst werd met een schilmes de bast op ooghoogte aangesneden, tenminste als de stammen niet sowieso direct gekapt werden (Als dat wel gebeurde, werden de stammen tot 2 meter lange stukken gezaagd). Daarna werd een snee van boven naar onder in de stam gemaakt, waarna de bast met de ´Lohlöffel´ los werd gemaakt. Het was van belang ervoor te zorgen dat de bast aan elkaar bleef. De dunne takken, of gezaagde stammen, waar de bast vanaf moest, werden op een dikke eikenpaal gelegd en er werd net zolang met een hamer op geklopt tot de bast losliet.
Daarna werd de bast een tijdlang gedroogd. De bomen werden daarna omgezaagd en gebruikt als brandhout. De stobben liepen vervolgens opnieuw uit en dan kon na 12-15 jaar opnieuw schors verzameld worden. De schors werd gebundeld en naar de looimolen gebracht. Daar werd ze in stukken gehakt en erna gemalen.
Met de gemalen boomschors werd leer gelooid. Dat houdt in dat dierenhuiden met behulp van zuren soepel gemaakt worden. Dit gebeurde door het afwisselend in een bekken leggen van looischors en van huiden. Voor het maken van leer was veel water nodig. Na toevoeging van water werd de bast (eek of bark) run genoemd. Men maakt dus leer uit de huiden. Het leer was bedoeld voor eigen gebruikt en voor verkoop op de lokale markt. Ook de grondstoffen kwamen uit de buurt, water, huiden en eikenschors waren overal voorhanden. Een probleem waren de vele Horzels die hun eieren in de rug van koeien legden. Als de maden volgroeid waren, maakten ze een gat in de huid om weer als imago naar buiten te kruipen. Daardoor werd de huid onbruikbaar. Ook bij de slacht moest worden opgelet dat er niet teveel onnodige insnijdingen in de huiden kwamen. Het beste stuk van de huid was de rug.
Looistoffen, zoals die in het plantenrijk veel voorkomen, vaak in de celstof of de celwanden, onder meer in eikenschors voorkomen, zijn complexe stikstofvrije, organische verbindingen. Meestal bestaan ze uit tanine, dat uit phenolcarbonzuur of gecondenseerd polyphenol is opgebouwd en vervlochten is met suikters. Door de aanwezigheid van carboxyl zijn deze stoffen zuur. Hoge concentraties looistoffen vinden we in zieke planten of in boomstammen. Eikenschors bevat 10-11% looizuur. Door de boomschors in water te leggen, ontstond na enkele dagen een looizuurhoudende substantie. Deze breekt de eiwithoudende stoffen in de huis af.
Leerlooien is één van de oudste en meest verbreide beroepen in de Eifel. Vaak bedreef men dit beroep naast het landbouwbedrijf. Looierijen waren vaak te vinden in de buurt van eikenbossen, de zogenaamde "Lohhecken" of Lohwälder.
De eikenschors werd onder meer verwerkt in de looimolen bij Grünental, stroomafwaarts van Monschau. Ook de Lochmühle in Mayschoß in het Ahrdal is een oude looimolen. Loh is namelijk verbasterd tot loch.