Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













De Jeneverbes (Juniperus communis).


De Jeneverbes behoort tot de Cypressenfamilie en vanwege zijn vorm wordt hij ook wel “Cypres van het noorden” genoemd. Het is een houtgewas dat vele vormen kan hebben. Meestal is hij vanaf de bodem dicht vertakt en kenmerkt zich door een zuilvorm. In het Duitse gebied langs de Oostzee en in de Baltische Staten bereikt hij een leeftijd van meerdere eeuwen, hoogtes van meer dan tien meter en een stamdikte van 30 centimeter en meer. Op de karige hellingen in de Eifel vinden we echter meestal dwergvormen. Meer dan 150 regionale Duitse namen als ”Krammetsbaum”, “Kranevitter” en “Räucherstrauch” duiden op zijn grote verspreiding in dit land.
De naalden dragen een stekelspits en staan in groepjes van drie rondom de takken. Jeneverbessen behoren tot de Retinospora, dat wil zeggen dat ze hun hele leven hun jeugd naalden behouden. Andere bomen, zoals de Cypres, vormen op latere leeftijd schubachtige bladeren. Jeneverbessen zijn meestal tweehuizig, maar het komt voor dat op één exemplaar zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen te vinden zijn. De ontwikkeling van de kogelvormige, bij rijpheid zwartbruine bessen met een blauwe berijping, duurt drie jaar. Vooral Kramsvogels (Turdus pilaris) (Duitse naam: Wacholderdrossel !) en Merels (Turdus merula) zorgen voor de verspreiding.

De Jeneverbes stelt niet veel eisen aan zijn standplaats, ook op karige bodems houdt hij het heel goed uit. Wel heeft hij behoefte aan veel licht op zijn standplaats. Hij groeit op droge leem- en zandbodems en op Muschelkalk. Ook is hij de vinden op zonnige plekken in heidegebieden en in open bossen. Zelfs op rotsen kan hij overleven door zijn uitgebreide wortelstelsel.
In de 16e eeuw was de Jeneverbes overal een algemene verschijning. Door de grote rooiingen in de 14e eeuw waren de bossen verdwenen of zo open geworden dat de Jeneverbes zich hier goed thuisvoelde. Ook had hij geen last van de vraat van schapen. Door de stekelige takken en de bittere smaak werd hij door de dieren gemeden. Derhalve laat de Jeneverbes ook goed zien of ergens in vroeger tijden schaapsbeweiding werd toegepast. Hij was zelf zo talrijk dat hij bestreden moest worden en er branden dan ook vaak vuren waarbij grote hoeveelheden Jeneverbessen vernietigd werden. De Jeneverbes komt voor van Noord- Afrika en Eurazië tot Noord- Amerika toe. Hierdoor kent de Jeneverbes de grootste verspreiding van alle naaldhoutsoorten.
Hoewel hij bosbouwkundig van weinig belang is, heeft de Jeneverbes wel betekenis als medicinale plant. Al van oudsher wordt hij gebruikt in de geneeskunst. Op papyrusrollen uit het oude Egypte staat de Jeneverbes als de belangrijkste geneeskrachtige plant. Ook de Griekse arts Dioskurides beschrijft de struik in zijn "Materia Medica" als wondverzorgend en urinedrijvend middel. Daarmee herkende hij meteen één van de belangrijkste eigenschappen van de Jeneverbes, haar drijvende nierwerking.
In de tijd toen er in de huizen in de Eifel nog open haarden waren, de zogenaamde “Haasch”, werd het hout van de Jeneverbes voor het roken van gepekelde hammen gebruikt. De blauwe bessen worden ook gebruikt in de zuurkool of bij het braden van vlees, Door hun suikergehalte van circa 30% zijn de bessen ook heel geschikt om er alcohol uit te distilleren. Bij het stoken van de jenever gaat de etherische olie over in het destillaat en geeft het aroma aan de drank.
In de tijd dat de Pest nog heerste schreef men een heilende werking aan de Jeneverbes toe. De bessen en de rook van de verbrande struiken zou beschermen tegen de besmettelijke ziekte. Vaak werden dan op de pleinen van de steden vuren van Jeneverbessenhout aangelegd zodat de rook de omgeving zou reinigen. De ziekenhuizen werden ook uitgerookt en men sprak daarbij de spreuk: "In den gassen und ringen. Ettlich hundert fewer prinnne. Von kranwittholz weyrauch darzu. Damit der lufft sich raynigen thu." Het eten van de bessen was met name werkzaam op de gedenkdag van St. Rochus, de Pestheilige (op 16 augustus).



Voordat er wierook uit het Nabije Oosten geïmporteerd kon worden, gebruikten missionarissen bij het weiden van heiligdommen Jeneverbessen als wierook.
Toen er nog geen deurmatten waren, gebruikte men jeneverbestakken om de voeten te vegen. En bij bruiloften en communies werd de huisdeur met Jeneverbesstruiken met daarin papieren witte bloemen versierd. Ook komt hij voor in sagen en sprookjes, hij zou beschermen tegen heksen, tovenaars en demonen.
Bij het karnen van boter werd vroeger vaak een stok van de Jeneverbes gebruikt om te voorkomen dat de melk betoverd kon worden. En omdat de Jeneverbes de waarheid aan het licht zou kunnen brengen, werd door een rechter vaak een gerechtsstaf van Jeneverbessenhout gebruikt.
Dat de Jeneverbes voor heel veel toepassingen bruikbaar is beschreef de Hieronymus Bock in 1577 heel passend: "In summa die Würkung und tugent des Weckholterbaums seind zu beschreiben nit wol möglich".
De Jeneverbes wordt vaak bij graven aangeplant. Niet als boom van de doden, maar eerder als boom van de levenden. Door zijn immergroene naalden stond hij tussen leven en dood in. Ook zijn naam werd hierbij gebruikt. Juniperus las men dan als Juveniperus waarin weer de woorden juvenis (jong) en parere (geboren worden) verborgen zaten. Men dacht dat de geest van de overlevende niet onherroeplijk voor het aardse leven verloren was, maar dat hij zich zolang in de Jeneverbes schuilhield.