Bebossing van de Hoge Venen.
De Hoge Venen waren oorspronkelijk een gebied met heidevelden, veengebieden uitgestrekte loofbossen. Vanaf de Middeleeuwen had men de omliggende bossen gekapt en was de rand van de Hoge Venen veranderd in een heidegebied. In de loop van de 18e eeuw begon men hier met het aanplanten van Fijnsparren (Picea abies), waardoor het oorspronkelijke landschapsbeeld verloren ging.
De Oostenrijkse regering begon tussen 1775 en 1779 in het Hertogenwoud met het aanplanten van Fijnsparren. De Belgische regering zette dit werk in de eerste helft van de 19e eeuw voort en begon met het aanplanten van Fijnsparren in het open veengebied. De Pruisische regering beplantte na de aanleg van de weg tussen Eupen en Malmedy in 1857 zelfs de hoogste delen van de Hoge Venen met sparren.
Door het overmatig aanplanten van de niet hier passende Fijnsparren vond er een sterke ingreep in het ecologisch systeem plaats. Door het gebrek aan licht onder naaldbomen kunnen hier nu nog slechts paddenstoelen en andere lagere planten overleven.
Ook de bodem verandert door het dikke naaldenpakket en vormt hier en daar reeds secundaire podzolen.
Aan de bomen is vaak goed te zien dat ze niet op de goede standplaats staan. Door de grote hoeveelheden vocht in de bodem of door de dunne laag grond op de rotsen kunnen de Fijnsparren zich niet goed ontwikkelen en leiden vaak een kommerend bestaan. Op diverse plekken zijn de bomen al snel na de aanplant gestorven door de hoge waterstand waardoor ze geen zuurstof meer konden opnemen met hun wortels. Op andere plekken staan de wortels onvast op de rotsondergrond of wortelen ze ondiep omdat het in de diepere ondergrond te nat is. Hierdoor is de Spar is zeer gevoelig voor stormschade en voor aanvallen van insectenplagen, zoals bijvoorbeeld de Schorskevers (Scolytidae). Het is dus van belang de monotone sparrenbossen om te vormen in gemengde bossen of meer natuurlijke loofbossen.
Aan de randen van de Hoge Venen bestaan de bossen uit Eiken-Berkenbossen aan de noordwestkant (loefzijde) van het Hoge Venen massief. Op de hogere, vochtigere gebieden vinden we veenbossen met Zachte berk (Betula pubescens) en aan de overgang naar de echte natte stukken het montane, veenmosrijke elzenveenbos.
Aan de lijzijde van de Hoge Venen groeiden in de diep ingesneden dalen oorspronkelijk ravijnbossen met Es (Fraxinus excelsior), eiken-haagbeukenbossen en Beukenbossen. Deze zijn tegenwoordig grotendeels door Sparrenaanplant vervangen. Hetzelfde geldt voor de op 400-600 meter hoogte gelegen delen van het Massief van de Hoge Venen, zoals rondom Botrange, waar oorspronkelijk Beukenbossen te vinden waren. Deze bossen waren de laatste 300-400 jaar reeds sterk verdwenen door het intensief grondgebruik.