Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













Oorspronkelijke begroeiing van de Hoge Venen.


Na de laatste IJstijd, ongeveer 10.000 jaar geleden, maakte de temperatuurstijging de vorming van bossen met Berken (Betula sp.), Wilgen (Salix sp.) en Grove dennen (Pinus sylvestris) mogelijk. Er heerste toen een soort toendraklimaat. Vanaf 8000 jaar geleden breidden de moerasgebieden zich uit en de resten van de palsen werden met water gevuld. Omstreeks 5500 voor Christus begon het veenmos (Sphagnum), en daarmee de hoogvenen, zich uit te breiden als gevolg van de toenemende vochtigheid. Rond 800 voor Christus begonnen zich de eerste beukenbossen te vormen op goed ontwaterende plaatsen, terwijl op de zware, vochtige bodems vooral eiken en berken stonden. In het veen overheersten veenmos (Sphagnum sp.), Veenbloembies (Scheuzeria palustris) en wollegras (Eriophorum sp.).
Oorspronkelijk lagen op het plateau hoog- en laagvenen, moerassen en heidevelden en aan de rand daarvan beukenbossen. In de loop van de eeuwen, vooral sinds de Middeleeuwen, zijn al deze landschappen diepgaand door de mens beïnvloedt en ten dele verdwenen. Nu resteren nog ongeveer 5000 hectare open veengebied, die deel uitmaken van het Natuurpark Hoge Venen- Eifel.
De mens vestigde zich overigens vooral aan de rand van het plateau. De eerste nederzettingen ontstonden tussen de 12e en 15e eeuw. De mensen leefden vooral van de verbouw van graan en het hoeden van vee.
De beukenbossen die oorspronkelijk aan de rand van de venen lagen zijn door de mensen gerooid en verdwenen door het te intensieve gebruik. De oude bomen werden omgezaagd ten behoeve van de productie van houtskool.
In de overgebleven bossen werd vee geweid en men kapte er hout voor de hakhoutcultuur. Deze combinatie zorgde ervoor dat jonge bomen geen kans kregen om op te schieten en zo verdween na verloop van tijd het bos. Hierdoor ontstonden door toedoen van de mens droge heidevelden, die later weer herbebost werden met Fijnsparren (Picea abies). Dit gebeurde in opdracht van de Pruisen vanaf ongeveer 1850 en daarom draagt de Fijnspar ook wel de naam "Pruisenboom".
Langs de beekjes groeiden oorspronkelijk Elzenbroekbossen, hier en daar zijn deze nog aanwezig.