|
|
Fagne Wallonne.

Hoogteligging: 600-690 meter.
Onder bescherming sinds: 1957.
Het Fagne Wallonne of Wallonisches Venn is een deelgebied van de Hoge Venen. Het Fagne Wallonne wordt begrensd door bossen in het zuiden, westen en oosten en in het noorden door de Helle. In het westen ligt de verkeersweg tussen Baraque Michel, Mont-Rigi en Sourbrodt. In het oosten ligt de Rurbusch, het gebied Kaltenborn en het Fagne Clefay. Het is een hoogveengebied uit bodemkundige zienswijze aangezien de ondergrond wordt gevormd door turf. De vegetatie lijkt meer op grasheide met hier en daar een bosje. In het gebied liggen twee opvallende bosjes, Drello en Petit Oneu. Het riviertje de Rur ofwel Roer heeft hier haar bronnen. De Roer meandert hier door een breed, trogvormig dal. Hierin groeien enkele Geoorde wilgen (Salix auriculata). Verder staat er Rijsbes (Vaccinium uliginosum) en Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) tussen het Pijpenstrootje (Molinea caerulescens).
Het Fagne Wallonne is nog een vrij oorspronkelijk deel van de Hoge Venen omdat het in tegenstelling tot andere gebieden niet grootschalig is ingericht met banen waartussen in die gebiedende sparren geplant werden. Het gebied is circa 2,5 km breed en 3 km lang.
Geschiedenis.
Het Fagne Wallonne vormde eeuwenlang een grensgebied. In de Romeinse tijd lag het aan de rand van de Civitas Tungrensis (de stad Tongeren) en behoorde tot de Civitas Coliensis (Keulen). Later behoorde het tot het aartsbisdom Keulen.
Toen in het midden van de 7e eeuw het kleine staatje Malmedy-Stavelot ontstond, lag in de Hoge Venen de Via Mansuerisca die de grens vormde. Aan de andere kant hiervan lag de Heerlijkheid Bütgenbach in het Hertogdom Luxemburg. Vroeger heette het gebied van St. Vith en Bütgenbach ´Land von Nassau´ (sinds 1226) of `Land von Oranien` (sinds 1451) en was Duitstalig. Het veengebied met zijn vele Franstalige (jonge) toponiemen werd daarom al snel beschouwd als het anderstalige, Waalse gebied. Een voorbeeld daarvan is Oneux, dat van ´aune´, het Franse woord voor els komt, een ander Les Wez (de voorde). Deze Franstalige toponiemen komen van de inwoners van Robertville die hier hun koeien en schapen lieten grazen en hun hooi verzamelden. Dat hing weer samen met het feit dat Robertville in de vroege Middeleeuwen tot de snelgroeiende gemeentes behoorde die in het Franstalige gebied van Malmedy-Stavelot aan de zuidkant van de Hoge Venen ontstonden. Robertville lag aan de rand van Malmedy-Stavelot en had daardoor weinig achterland voor het weiden van vee en het verzamelen van hooi. Daarom staken ze de grens over en lieten hun vee grazen in de Heerlijkheid Bütgenbach. De inwoners van Bütgenbach gebruikten het vanwege de grote afstand toch niet. Dit gebeurde eerst heimelijk, maar later in het midden van de 15e eeuw, kregen de inwoners van Robertville recht om onder bepaalde voorwaarden hun vee in het ´Terre de Nassouwe´ te weiden en er te maaien. Dat eindigde door de bouw van de herberg Sourbrot en de daarbij gebouwde boerderijen die ook meenden recht te hebben op de weidegrond. Hierdoor voelden de inwoners zich van Robertville zich in hun rechten gekrenkt hetgeen leidde tot ruim een eeuw van steeds weer opnieuw opduikende conflicten, handgemenen en processen. In 1708 bepaalde de Vorst van Isenghien, de grondeigenaar, in het Verdrag van St. Vith dat het gehele Fagne Wallonne de inwoners van Sourbrodt, tegen betaling van een pachtgeld, toebehoorde. Later kochtten ze dit zelfs van de latere landsheer waardoor het gehele gebied hun eigendom werd.
Toch stammen veel van de oudere toponiemen in het gebied ook nog uit de Duitse taal. Zo komt de naam van het riviertje Helle of Hill van het Duitse ´hillen´ of ´hellen´ dat ´stromen´ betekent. Datzelfde geldt voor Drello en Nesselo, beide met een -lo uitgang, een oud Duits woord voor bos.
Tot 1967 werd in het Fagne Wallonne kleinschalig turf gestoken voor de huisbrand.
Drello.
Drello of Drèlô is een klein bosje dat op een kleine verhoging met een leembodem tussen Botrange en Clefay ligt. De verhoging (640 meter hoog) vormt de waterscheiding tussen de Helle en de Rur. Het bosje is al eeuwenoud. In het begin van de 20e eeuw werd er een sparrenbos geplant, maar in 1957-1958 werd het grootste, noordelijke deel ervan in het kader van de bescherming van de Hoge Venen als natuurreservaat gekapt. In 1988 werd ook het zuidelijke deel gekapt. Na de kap van de de Fijnsparren (Picea abies) ontstond een meer natuurlijk bos uit Zachte berk (Betula pubesccens) en Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) met in de ondergroei Rijsbes (Vaccinium uliginosum), Lavendelheide (Andromeda polyfolius), Pijpenstrootje (Molinea caerulescens) en veenmossen (Sphagnum sp.). Rondom de lemige bult van Drello ligt een afgeveend stuk waarin veel Pijpenstrootje groeit. De vele oude turfputten hier zijn nog herkenbaar aan hun loodrechte wanden. De naam -lo duidt op bosje.
Oneux.
Oneux is de naam van twee bosjes in het Wallonisches Venn. Petit Oneux ligt ten oosten van de Botrange. Het oorspronkelijke Petit Oneux werd in 1957-1958, bij de bescherming van de Hoge Venen als natuurreservaat, gekapt. Tegenwoordig draagt een klein groepje alleenstaande Beuken (Fagus sylvaticus) op een kleine verhoging dezelfde naam. Het wordt ook wel aangeduidt als ´Quatres Hêtres´. Erachter ligt een uitgestrekt bos met veel Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia). Vlakbij Petit Oneux staat een kruis dat is opgericht voor een neergestort vliegtuig in de Tweede Wereldoorlog.
Vlakbij Petit Oneux liggen twee opvallende, rood en wit geaderde rotsblokken uit kwartsiet. Ze liggen circa 25 meter van elkaar en zijn door solifluctie en optillen van de rotsblokken uit de bodem tijdens de IJstijd hier terecht gekomen.
Grand Oneux of Oneux is een groter open bosje op een leembult midden in het Fagne Wallonne. Het wordt omgeven door vochtige heide en pijpenstrootjevlaktes. Het oorspronkelijke Fijnsparrenbosje werd bij de stichting van het natuurreservaat in1957 gekapt. Nu staat er een bosje met Wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia) en enkele Beuken (Fagus sylvatica). Daarnaast staat er Brem (Cytisus scoparius) in een heide-achtige vegetatie met Struikhei (Calluna vulgaris), veel Blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus), veel Rode bosbes (Vaccinium vitis-idae) en Rijsbes (Vaccinium uliginosum). Oneux is afkomstig van het Franse aune voor els (`alnus`).

Flora.
Hoewel het gebied grotendeels uit vlaktes met Pijpenstrootje (
Molinea caerulea
) bestaat, zijn er ook andere vegetaties aanwezig. Zo ligt in het gebied een stuk levend hoogveen met Veenbies (
Trichophorum cespitosum
), Gewone dophei (
Erica tetralix
), Lavendelhei (
Andromeda polifolia
) en Kleine veenbes (
Vaccinium oxycoccus
).
In natte gedeelten van het gebied staat tussen het Pijpenstrootje ook veel Eenarig wollegras (
Eriophorum vaginatum
) dat zijn bloemen al in maart opent en in mei zijn witte vruchtpluis laat zien. Sporadisch staat er ook Veenpluis (
Eriophorum angustifolium
).
De drogere delen zijn begroeid met een heide-achtige vegetatie met Struikhei (
Calluna vulgaris
), veel Blauwe bosbes (
Vaccinium myrtillus
), veel Rode bosbes (
Vaccinium vitis-idae
) en Rijsbes (
Vaccinium uliginosum
).
Fauna.
Hoewel het gebied vrij monotoon is kunnen er toch allerlei vogelsoorten worden waargenomen. Vanwege de aanwezigheid van broedende Korhoenders (
Tetrao tetrix
) is het gebied C-zone. Dat betekent dat het grootste deel van het gebied van 15 maart tot 15 juli helemaal niet en daarbuiten enkel met een gediplomeerde gids bezocht kan worden. Dit moet de broodnodige rust voor de Korhoenders brengen. ´s Winters kunnen de dieren worden gezien wanneer ze in de toppen van allerlei bomen zitten en van de knoppen eten. Soms zijn langs het pad keutels van Korhoenders te vinden.
´s Winters overwinteren Klapeksters (
Lanius excubitor
) in het gebied. Ze zijn goed herkenbaar wanneer ze bovenin een boomtop op de uitkijk zitten of er later met een golvende vlucht weer uit weg vliegen.
In het voorjaar, vanaf maart, zingen tientallen Graspiepers (
Anthus trivialis
) in de eindeloze vlaktes met Pijpenstrootje (
Molinea caerulea
). Ze landen na hun zangvlucht ook graag in een boomtopje. De Boomleeuwerik (
Lulula arborea
) zingt regelmatig uit een boomtop aan de rand van het open gebied. Op zompige plekken met hogere zegges zitten soms Rietgorzen (
Emberiza schoeniclus
).
´s Winters jagen soms Blauwe kiekendieven (
Circus cyaneus
) boven de uitgestrekte vlaktes.
In de bossen aan de rand van het gebied houden zich allerlei soorten vogels van naaldbossen, waaronder Kruisbekken (
Loxia curvirostra
), Goudhaantjes (
Regulus regulus
) en Vuurgoudhaantjes (
Regulus ignicapillus
) op. Een zeer fraaie soort is de Goudvink (
Pyrrhula pyrrhula
).
In elzenbosjes, maar ook in de toppen van andere bomen, zitten in de trektijd vaak groepjes Sijsjes (
Carduelis spinus
)
Onderweg in het gebied.
Het gebied is niet vrij toegankelijk voor het publiek (C-zone) en kan enkel worden bezocht onder leiding van een gediplomeerde wandelgids. Het gebied wordt doorsneden door smalle, soms zeer natte paadjes en knuppelbruggetjes.
|
|