Natuur tussen Maas en Rijn beleven!



Startpagina.
Algemene informatie over de Eifel.
Excursies en lezingen.
Deelgebieden:
-
Eifel
-Limburg
Natuurreservaten en wandelgebieden.
Geschiedenis van de Eifel.
Archeologische plekken.
Historische plaatsen.
Water in de Eifel.
Geologie van de Eifel.
Oude ambachten.
Mijnbouw & oude
industrie.
Paddenstoelen.
Wildparken & Musea.
Feesten.
Heiligen.
Wandelroutes.
Kinderwagenwandelingen.
Links.
Over ons.
Contact/Colofon.
Fotopagina´s.
Alfabetisch register
Naar de Duitstalige sites/ Zu den deutschen Seiten.













Carboon.
     

Het Carboon (359,2 tot 299 miljoen jaar geleden) is een periode die vooral bekend is door het ontstaan van steenkool. De naam is zelfs afgeleidt van de Latijnse naam voor steenkool (carboniferous). Steenkool ontstond tijdens de laatste 33 miljoen jaar van het Carboon, met name in het Westfalien, uit fossiele veenresten. Deze ontstonden in de uitgestrekte tropische moerassen langs de kust en in de rivierdelta’s. Hoewel het Carboon vooral bekend is door de steenkool maakte de veenvorming slechts 5% uit van de totale afzettingen in het Carboon, het merendeel was sedimentatiegesteente in de delta.
Steenkoolafzettingen zijn te vinden in heel noordelijk Europa, in Azië en in het midwesten en oosten van Noord-Amerika. De steenkoollagen kunnen een dikte tot twaalf meter bereiken, maar zijn in onze contreien doorgaans veel dunner. In het Wormdal bijvoorbeeld gemiddeld 1,6 meter.
In het Carboon vormden Laurazië en Gondwana het supercontinent Pangea. Dit gebeurde na de Hercynische orogenese(gebergtevormingsperiode).

De verschillende periodes van het Carboon.

Het Carboon kan worden onderverdeeld in het Dinantien (359,2-326,4 miljoen jaar geleden) en het Silesien (326,4-299 miljoen jaar geleden). Het Dinantien kan worden verdeeld in het Tournaisien (359,2- 345,3 miljoen jaar geleden) en het Viséen (345,3- 326,4 miljoen jaar geleden). Het Silesien kan worden onderverdeeld in het Namurien (326,4- 313 miljoen jaar geleden), het Westfalien (313-303,9 miljoen jaar geleden) en het Stephanien (303,9- 299 miljoen jaar geleden).

Het Tournaisien (359,2- 345,3 miljoen jaar geleden) is genoemd naar de Belgische stad Doornik (Tournai). Het is de onderste en dus oudste laag van het Carboon. In deze periode ontstond in de Eifel en Ardennen veel kalkgesteente. De basis van deze laag wordt gedefinieerd door het eerste voorkomen van de conodont Siphonodella sulcata, het Tournaisien eindigd met het voorkomen van de eerste voorkomen van de foram Eoparastaffela simplex. Een foram is een ééncellige met een kalkskeletje.

Het Viséen (345,3- 326,4 miljoen jaar geleden) is de jongste, dus bovenste laag van het Dinantien. Het is vernoemd naar de Belgische stad Visé. In deze periode ontstond in de Eifel en Ardennen veel kalksteen. Deze periode begon met het eerste voorkomen van de foram Eoparastaffela simplex.

Het Silesien (326,4-299 miljoen jaar geleden) is de jongste subperiode van het Carboon. Ze is genoemd naar de landstreek Silezië, die zich uitstrekt over Tsjechië, Polen en Duitsland. Het Silesien kan worden onderverdeeld in het Namurien, het Westfalien en het Stephanien. Het einde van deze periode wordt ingeleid door het eerste voorkomen van de conodont Streptognathodus isolatus. Daarna begint het Perm.

Het Namurien (326,4- 313 miljoen jaar geleden) is de oudste laag van het Silesien. Het is genoemd naar de Belgische stad Namur (Namen).

Het Westfalien (313-303,9 miljoen jaar geleden) is genoemd naar de Duitse deelstaat Westfalen. In deze periode uit het Laat- of Boven-Carboon was West-Europa begroeid met mangrovebossen waarin veenvorming plaatsvond. Hieruit ontwikkelden zich bruinkool en steenkool. Uit deze periode stammen veel steenkoollagen in Nederland, België, Duitsland en Groot-Brittannië. Door de opwarming van deze lagen ontstond ook aardgas.

De laatste en dus jongste periode van het Carboon vormt het Stephanien (303,9- 299 miljoen jaar geleden). Deze periode werd genoemd naar Saint-Etienne in het Franse departement Loire. De top van het Stephanien wordt gedefinieerd door het eerste voorkomen van de conodont Streptognathodus isolatus.

Aan het eind van het Carboon veranderde het klimaat drastisch en begon zich op de Zuidpool een grote ijskap te vormen, waardoor ook de zeespiegel daalde. Toen vormde zich ook de Centrale Pangeaanse bergrug, samen met een hoogvlakte. Hierdoor werden de vochtige equatoriale winden tegengehouden en werd aan de achterzijde van dit gebergte het klimaat steeds droger. Rond de evenaar, waar wel nog een warm en vochtig klimaat bestond, lagen uitgestrekte moerassen. Er waren toen nog geen seizoenen omdat de temperatuur grotendeels gereguleerd werd door de enorme Panthalassic oceaan die grote delen van de aarde bedekte. Door de lage zeespiegel stonden grote delen van het land met elkaar in verbinding en verspreidden de verschillende planten- en diersoorten zich over grote delen van de aarde.

Het klimaat in het Carboon.

Tijdens het grootste deel van het Carboon heerste in onze contreien een tropisch klimaat, vergelijkbaar met het klimaat in het huidige Amazonegebied. Het regende veel waardoor de bodem voortdurend drassig was en de temperaturen lagen rond de 30◦ Celsius. Overal op aarde was het tropisch warm, zelfs in de poolstreken lagen uitgestrekte bossen. Dit had waarschijnlijk te maken met de grote hoeveelheid CO2 in de dampkring. Er heerste dus een soort broeikaseffect. Koolzuur laat de opgenomen zonnewarmte namelijk niet of slechts zeer traag los.

Flora en fauna in het Carboon.

In onze contreien lag aan het eind van het Carboon een rivierdelta waarin zich mangrovebossen bevonden. Bekende planten uit deze periode waren Calamites, Cordaïtes, Lepidodendron en Sigillaria. Deze planten werden enorm groot door de grote hoeveelheden CO2 en waterdamp in de atmosfeer. Ook de hoge temperaturen droegen hieraan bij.

Cordaites waren naaktzadige bomen die in het Laat-Carboon groeiden. Het waren in het laagland doorgaans bomen met een stam van tien tot dertig meter hoog. In de magrovebossen waren ook struikvormige of boomvormige soorten met luchtwortels te vinden. In de stam van de bomen zat een vrij brede holte die met merg gevuld was. De holte werd door horizontale diafragma’s die vrij dicht bijeen zaten, onderbroken. Tijdens de lengtegroei van de stam ontstonden er holten tussen de diafragma ’s die na het afsterven van de bomen met sediment werden gevuld. Dit versteende erna soms en de boom verkoolde dan. In sommige lagen zijn fossielen van bladpunten of bladvoeten te vinden. Soms worden ook hele bladeren gevonden, met name van de soort Cordaites principalis. Dit soort bladeren was 20 tot 70 centimeter lang en drie tot zeven centimeter breed. Het was lintvormig met een gave bladrand. Op het blad zaten fijne, evenwijdige nerven met houtvaten erin. Soms worden ook takjes gevonden waarin de littekens van de afgevallen bladeren nog te vinden zijn. Deze worden Cordaicladus genoemd. De tot 30 centimeter lange bloeiwijze had de vorm van een aar, aan de as van de aar zitten twee rijen kleine aartjes tegenover elkaar in de oksel van de schutblaadjes. Aren zijn vaak eenslachtig, dat wil zeggen dat er of mannelijke of vrouwelijke bloemen aan zitten. Cordaites stierf aan het einde van het Perm uit.

Calamites was een groep van planten die in het Carboon bestond. Ze waren enigszins verwant aan de huidige Paardenstaarten. In tegenstelling tot hun hedendaagse kruidachtige verwanten, waren de Calamites echter middelgrote bomen met een hoogte van twintig tot dertig meter. Ze bereikten hun hoogtepunt in het Westfalien in de mangrovegebieden waar ze groeiden op droogvallende eilandjes. Tijdens het Perm stierven ze uit. Oorspronkelijk gebruikte men de naam Calamites alleen voor de gelede en geribde opvulling van de centrale holte in de stam, tegenwoordig voor de gehele boom. Er werden allerlei soorten fossielen aangetroffen zoals rhizomen, wortels, stammen, takken, loof en sporenaren. Met name de fossielen van de rhizomen worden regelmatig gevonden. Rhizomen waren onderaardse, horizontaal groeiende stengels waaruit nieuwe stengels ontsproten. De holte in de nieuwe stengel was bij het aanhechtingspunt trechtervormig. Deze holtes werden regelmatig opgevuld met sediment en fossiliseerden dan. Schubbomen (Lepidodendron) waren bomen met bladeren die op schubben leken. Ze konden een hoogte van veertig meter bereiken. De naam van de groep komt uit het Grieks Lepidos = schub en dendros= boom. Ze behoorden tot de wolfsklauwachtigen. Ze leefden aan het eind van het Carboon in het Westfalien. Zegelbomen of Sigillaria-achtigen waren bomen die in het Laat-Carboon voorkwamen. Ze waren verwant met de wolfsklauwachtigen. Vooral tijdens het Westfalien D kwamen ze veel voor. In het Perm (Rotliegendes) stierven ze uit. Ze konden een hoogte van dertig meter bereiken. De stam had een doorsnede van één meter was aan de voet enigszins verdikt, dit heette het syringodendron. Het ondergrondse deel is niet te onderscheiden van de Lepidodendron en wordt stigmaria genoemd. Hun bladeren waren of handvormig of tot naalden bijeen gerold. Ze zaten in het bovenste deel van de onvertakte of éénmaal vertakte stam. De bladeren zaten direct aan de stam en bij het afvallen ervan verschenen de opvallende bladlittekens. Deze hadden een ovale of zeshoekige vorm. De balderen zaten in typerende verticale rijen. De sporenaren of sigillariostrobus zaten in of onder de kroon aan de stam vast. Het aantal Sigillaria-soorten liep vanaf het eind van het Westfalien sterk terug.
Ook het dierlijk leven ontwikkelde zich in het Carboon steeds verder. Sinds het Siluur leefden al vissen in zee en op het land leefden amfibieën. Door de grote hoeveelheid zuurstof en CO2 in de atmosfeer ontwikkelden zich enorme versies van allerlei diersoorten. Er waren amfibieën die een lengte van 4,50 meter bereikten, enorme spinnen duizendpoten, schorpioenen, libellen, krekels, kakkerlakken, sprinkhanen, slakken en andere geleedpotigen. Nieuw was het ontstaan van de eerste reptielen in deze periode. Primitieve reptielen zoals Cotylosauria en Synapsiden waren de eerste dieren die volledig op het land leefden en niet meer naar het water terug moesten keren om hun eieren te leggen, zoals de amfibieën dat deden. Dit was mogelijk omdat de atmosfeer door het grote aantal bomen steeds geschikter werd voor longademhaling. Ook veroverden de eerste insecten het luchtruim, waaronder de libellen. Een voorbeeld hiervan was de Meganeuropteris, een enorme libellensoort. Enkele diersoorten uit het Carboon waren Hylonomus, Meganeura, Megarachne, Petrolacosaurus, Stethacanthus, Arthropleura en Eogyrinus.