Zwartsteelvaren.
Zwartsteelvaren (Asplenium adiantum-nigrum) is een zeldzame varensoort. De bladeren bereiken een lengte van 10 tot 45 centimeter. Ze staan in dichte bundels bijeen. Opvallend is stevige, leerachtige bladschijf die smal eirond tot driehoekig is met een enigszins glanzende bovenzijde. Deze glans is vooral bij jonge bladeren goed zichtbaar. De bladschijf is twee tot drie keer geveerd. De broze bladsteel is over een groot deel onder de bladschijf glanzend bruin tot zwart en naar de voet toe verdikt. Aan de voet is de bladsteel donker roodbruin en met grote bruine schubben bedekt. De dekvliesjes zijn gaafrandig tot gegolfd en bochtig ingesneden. De dekvliesjes zijn wit tot licht grijsbruin. De sori zijn lang en smal en staan in het centrum van de bladsegementen, vlak langs de rand van de bladnerf. De sporen zijn rijp van juli tot oktober. Zwartsteelvaren groeit in spleten in kiezelrotsen, doorgaans in de schaduw. Soms staat ze ook op oude muren of in beschaduwde bermen op de grond. Verder groeit ze in soortenarme eikenbossen op matig droge, matig zure stenige bodems. Vaak groeit ze op plekken met milde winters. Zwartsteelvaren is enigszins warmteminnend. Ze blijft zelfs in de winter groen.
Zwartsteelvaren komt in Midden- en Zuid-Europa, West-Azië en Noord-Afrika voor. In de Eifel groeit ze onder meer bij Heimbach en bij Nideggen op rotsen. In Limburg is het altijd een zeer zeldzame soort geweest. Na 1950 is ze door gewijzigd beheer van holle wegen en het slopen van oud muurwerk vrijwel verdwenen. Na 1996 zijn enkele nieuwe locaties ontdekt, zoals in 2006 in een holle weg bij Groot-Welsden. In Eckelrade groeit ze op een oude muur, waar ze door de afbraak van een andere muur in de zon is komen te staan, wat haar geen goed doet.